ECLI:NL:RBOVE:2026:836

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
12057572 \ CV EXPL 26-82
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 2 BWArt. 7:213 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning wegens ernstige geluidsoverlast door huurder

Ons Huis verhuurt sinds 2012 een woning aan betrokkene. Vanaf 2015 zijn er meldingen van ernstige geluidsoverlast door betrokkene, waaronder schreeuwen, slaan met deuren en harde muziek, die ook in 2025 en begin 2026 aanhielden. Ons Huis heeft betrokkene meerdere waarschuwingen gegeven en een buurtonderzoek uitgevoerd waaruit bleek dat omwonenden vrijwel dagelijks overlast ervaren.

De bewindvoerder van betrokkene voerde verweer met onder meer het ontbreken van spoedeisend belang en verwees naar psychische problematiek van betrokkene. De kantonrechter oordeelt dat de overlast voldoende aannemelijk is gemaakt en dat de bewindvoerder niet tijdig heeft ingegrepen. Ontbinding van de huurovereenkomst is gerechtvaardigd, ook zonder toerekenbaarheid van de tekortkoming.

De kantonrechter wijst de vordering tot ontruiming toe en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, omdat het belang van Ons Huis zwaarder weegt dan het woonbelang van betrokkene. De bewindvoerder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de vordering tot ontruiming toe en veroordeelt de bewindvoerder tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12057572 \ CV EXPL 26-82
Vonnis in kort geding van 20 februari 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING ONS HUIS,
te Enschede,
eisende partij,
gemachtigde: mr. M. Douwenga,
tegen
[bewindvoerder],
handelend onder de naam SVIT Bewindvoering, in haar hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [betrokkene],
te [plaats],
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. A. aan het Rot.
Partijen zullen hierna als volgt worden aangeduid: eisende partij als Ons Huis, gedaagde partij [bewindvoerder] als de bewindvoerder en de heer [betrokkene] als [betrokkene].

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 18,
- de producties 1 en 2 van de bewindvoerder,
- de nadere producties 19 en 20 van Ons Huis,
- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026 waarbij partijen en hun gemachtigden zijn verschenen,
- de spreekaantekeningen van Ons Huis,
- de spreekaantekeningen van Meijer-Pots.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

[betrokkene] huurt een woning van Ons Huis. Ons Huis ontvangt al jaren meldingen van omwonenden over ernstige overlast. Ons Huis vordert ontruiming van de woning. De kantonrechter wijst de vordering toe.

3.De feiten

3.1.
Ons Huis is eigenaar van de woning staande en gelegen aan de [adres] (hierna: de woning). Ons Huis verhuurt deze woning met ingang van
17 januari 2012 aan [betrokkene].
3.2.
Vanaf 2015 heeft Ons Huis meldingen van omwonenden ontvangen waarin wordt geklaagd over onder meer geluidsoverlast (in de vorm van schreeuwen, slaan met draaien en het afspelen van harde muziek). Op 29 januari 2025 heeft een omwonende zich bij Ons Huis gemeld met de mededeling dat [betrokkene] in de nacht de hele boel bij elkaar schreeuwt en scheldt. Op 29 januari 2025 is ook geklaagd door een andere omwonende die heeft aangegeven dat [betrokkene] de hele nacht met de deuren slaat. Vervolgens zijn er op
5 februari en 9 februari 2025 weer overlastmeldingen ontvangen waarin is geklaagd over luid geschreeuw door [betrokkene] in de nacht.
3.3.
Ons Huis is op 5 maart 2025 op huisbezoek geweest bij [betrokkene] en op
7 maart 2025 heeft zij melding bij Meldpunt Zorgwekkend Gedrag Twente gemaakt.
3.4.
Bij brief van 19 maart 2025 heeft Ons Huis [betrokkene] uitgenodigd voor een gesprek in verband met de overlastmeldingen en de staat van de woning. [betrokkene] is op de afspraak verschenen.
3.5.
Ons Huis heeft na het gesprek wederom diverse overlastmeldingen van omwonenden ontvangen.
3.6.
Op 15 april 2025 heeft Ons Huis een officiële waarschuwing aan [betrokkene] gestuurd met de mededeling dat zij een juridische procedure zal starten indien hij zijn gedrag niet aanpast.
3.7.
De overlastmeldingen zijn niet gestopt. Omwonenden hebben ook geluidsfragmenten toegestuurd.
3.8.
Op 24 september 2025 hebben diverse bewoners van Ons Huis (tijdens een in een ander kader georganiseerde bewonersbijeenkomst) geklaagd over het gedrag van [betrokkene].
3.9.
Op 16 oktober 2025 heeft de advocaat van Ons Huis per brief aan [betrokkene] een laatste waarschuwing gegeven en hem gesommeerd om onmiddellijk te stoppen met het veroorzaken van overlast.
3.10.
Ons Huis heeft vervolgens een buurtonderzoek uitgevoerd. Zes verschillende omwonenden hebben bij dit onderzoek aan Ons Huis te kennen gegeven dat zij vrijwel dagelijks veel geluidsoverlast ervaren van [betrokkene], bestaande uit geschreeuw, gescheld, gegil, gooien met spullen, slaan met deuren.
3.11.
Op 26 november 2025 heeft de gemachtigde van Ons Huis per brief aan [betrokkene] kenbaar gemaakt dat Ons Huis vanwege de aanhoudende overlast wenst te komen tot het einde van de huurovereenkomst. In de brief is aan [betrokkene] medegedeeld dat hij een kort geding procedure kan voorkomen door zelf binnen vijf dagen na dagtekening van de brief de huurovereenkomst op te zeggen tegen 23 december 2025.
3.12.
De gemachtigde van [betrokkene] en van zijn bewindvoerder heeft per e-mailberichten van 15 en 23 december 2025 aan Ons Huis laten weten dat de huurovereenkomst niet vrijwillig wordt opgezegd.
3.13.
In januari 2026 heeft Ons Huis wederom overlastmeldingen ontvangen.

4.Het geschil

4.1.
Ons Huis vordert, samengevat, primair ontruiming van het gehuurde en subsidiair om de bewindvoerder te veroordelen de woning op te ruimen en schoon te maken alsmede oplegging van een gedragsaanwijzing. Ons Huis vordert ook veroordeling van de bewindvoerder in de proceskosten.
4.2.
Ons Huis legt aan de vordering ten grondslag dat [betrokkene] ernstig tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als huurder door structureel ernstige overlast te veroorzaken in het gehuurde, zoals blijkt uit de grote hoeveelheid klachten van omwonenden die Ons Huis heeft ontvangen. Volgens vaste jurisprudentie levert het veroorzaken van dergelijke overlast een tekortkoming op, die de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.
4.3.
De bewindvoerder voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van
Ons Huis, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Ons Huis, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Ons Huis in de kosten van deze procedure.
4.4.
De bewindvoerder voert daarbij aan dat Ons Huis met name in 2017 meerdere meldingen over geluidsoverlast heeft ontvangen, maar dat het sinds 2019 enkele jaren relatief rustig is geweest. Er is volgens de bewindvoerder geen spoedeisend belang. Verder verwijst de bewindvoerder naar een verklaring van een GZ-psycholoog van Mediant dat in de situatie van [betrokkene] met momenten sprake is van gedesorganiseerde gedachtegang en verhoogd associatief denken, maar dat er in de afgelopen periode sprake is van stabiliteit. Deze kort gedingprocedure heeft veel onrust en nervositeit veroorzaakt bij [betrokkene] en dit kan volgens de ambulant verpleegkundige van Mediant verklaren dat hij in januari mogelijk op bepaalde momenten in de ogen van anderen onrustig gedrag heeft vertoond. Ten slotte voert de bewindvoerder aan dat Ons Huis heeft nagelaten om haar tijdig te betrekken bij de overlastmeldingen waardoor cruciale kansen op verbetering onbenut zijn gebleven.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Toetsingskader
5.1.
Ontruiming is een maatregel die diep ingrijpt in het woonrecht van een huurder en die in de praktijk tot onomkeerbare gevolgen kan leiden. Daarom kan een vordering in kort geding tot ontruiming alleen worden toegewezen als de partij die de vordering heeft ingesteld, zoveel spoed heeft dat zij de uitkomst van een gewone procedure (bodemprocedure) niet hoeft af te wachten en de kans groot is dat in de bodemprocedure de bodemrechter de huurovereenkomst zal beëindigen (ontbinden) en de huurder zal veroordelen tot ontruiming. In dat geval kan het gerechtvaardigd zijn om in een kort geding door het geven van een voorlopige voorziening op het oordeel van de bodemrechter vooruit te lopen.
Spoedeisend belang
5.2.
Ons Huis heeft een spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming van de woning, gelet op haar stelling dat het woongenot van omwonenden al geruime tijd ernstig wordt verstoord door het gedrag van [betrokkene].
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
Of de vordering van Ons Huis toewijsbaar is, hangt af van de vraag of [betrokkene] is tekortgeschoten en het op grond van artikel 6:265 lid 2 BW Pro voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst ontbindt en de ontruiming toewijst. Ingevolge artikel 6:265 lid 2 BW Pro kan een overeenkomst bij iedere tekortkoming van de andere partij worden ontboden, tenzij de ontbinding niet gerechtvaardigd is.
5.4.
Voorop staat dat een huurder zich als goed huurder moet gedragen (artikel 7:213 BW Pro). Dat betekent onder meer dat hij geen overlast voor omwonenden mag veroorzaken.
Er is sprake van ernstige overlast
5.5.
De kantonrechter is van oordeel dat Ons Huis voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [betrokkene] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als huurder door al geruime tijd ernstige overlast te veroorzaken. Zij heeft aangevoerd dat omwonenden in 2025, maar ook recent, in 2026, overlast bleven melden. Uit het feit dat deze omwonenden, (kennelijk) uit angst voor represailles, hun identiteit voor [betrokkene] verborgen hebben willen houden, voert, anders dan namens de bewindvoerder is aangevoerd, niet zonder meer voort dat de meldingen niet als onderbouwing van de gestelde overlast zouden kunnen dienen. De kantonrechter ziet geen reden om te twijfelen aan de mededeling van Ons Huis dat zij (wel) bekend is met de identiteit van de melders en dat het, anders dan de bewindvoerder vermoedt, zeker niet gaat om klachten van (slechts) één buurvrouw. In de stelling van de bewindvoerder dat een bestuurlijke rapportage van de politie ontbreekt wordt evenmin aanleiding gezien om de gestelde overlast niet aannemelijk te achten.
Ontbinding is gerechtvaardigd
5.6.
De bewindvoerder verwijt Ons Huis dat zij niet tijdig is geïnformeerd over de overlast waardoor cruciale kansen op verbetering onbenut zijn gebleven. Deze stelling gaat, wat daar verder ook van zij, niet op. De bewindvoerder was (in ieder geval) op
3 december 2025 bekend met de overlastproblematiek en de wens van Ons Huis om te komen tot een einde van de huurovereenkomst. Gesteld noch gebleken is dat de bewindvoerder sindsdien enige van de door haar ter zitting als mogelijke c.q. gewenste stappen heeft ondernomen.
5.7.
Gelet op de aard en ernst van de tekortkoming is het volgens de kantonrechter voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden. Weliswaar kan zonder meer worden aangenomen dat [betrokkene] belang heeft bij het kunnen blijven wonen in het gehuurde, maar dat maakt niet dat ontbinding niet gerechtvaardigd zou zijn. Op Ons Huis rust immers de verantwoordelijkheid om voor een leefbare en veilige woonomgeving voor haar huurders te zorgen.
Dat het veroorzaken van overlast [betrokkene] (wellicht) niet of in mindere mate zou kunnen worden toegerekend in verband met zijn psychische problematiek, staat niet aan ontbinding in de weg. Voor ontbinding is toerekenbaarheid van de tekortkoming immers niet vereist.
Conclusie
5.8.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de gevorderde ontruiming toewijzen. Voor een langere ontruimingstermijn (bijvoorbeeld in afwachting van een in gang te zetten hulp-/zorg-/begeleidingstraject) wordt geen aanleiding gezien, aangezien op dit moment aanknopingspunten ontbreken wat een dergelijk traject zou (kunnen) inhouden, op welke termijn dit ingezet zou kunnen worden en of [betrokkene] daartoe bereid zou zijn.
5.9.
Aangezien de vordering op grond van geluidsoverlast wordt toegewezen, zal de kantonrechter de andere door Ons Huis genoemde tekortkoming buiten beschouwing laten. Omdat de primaire vordering wordt toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van de secundaire vordering.
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
5.10.
Ons Huis wil dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. De bewindvoerder heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
5.11.
Bij de beoordeling van een vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad moeten de belangen van partijen worden afgewogen, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het belang van Ons Huis om het vonnis onmiddellijk te kunnen executeren ondanks een eventueel hoger beroep weegt zwaarder dan het belang van [betrokkene] om tijdens een eventueel hoger beroep in de woning te kunnen blijven. Ons Huis heeft er gelet op de ernst en het voortduren van de overlast belang bij dat het gehuurde wordt ontruimd en dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn. Het gestelde woonbelang van [betrokkene] weegt daar niet tegenop, zeker nu er geen enkel perspectief is op verbetering op korte termijn.
Proceskosten
5.12.
De bewindvoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ons Huis worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
976,44

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt Meijer-Pots, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van de
heer [betrokkene], om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning met onroerende aanhorigheden staande en gelegen aan de Papaverstraat 55-202 in Enschede te ontruimen, in goede staat op te leveren en deze vervolgens ontruimd te houden,
6.2.
veroordeelt Meijer-Pots, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van de
heer [betrokkene], in de proceskosten van € 976,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Meijer-Pots niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.