ECLI:NL:RBOVE:2026:852

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
AK_25_2098
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 AKWArt. 18 AKWArt. 10 BUK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering helft kinderbijslag bij onvoldoende co-ouderschap

Eiseres verzocht de SVB om de helft van de kinderbijslag voor haar kinderen toe te kennen op grond van co-ouderschap. De SVB weigerde dit voor één kind omdat er geen sprake was van een gelijke verdeling van verzorging en onderhoud, mede omdat het kind vaker bij de andere ouder verbleef.

Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank beoordeelde het geschil aan de hand van de feitelijke situatie en de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de Algemene Kinderbijslagwet en het Besluit uitvoering kinderbijslag.

De rechtbank oordeelde dat co-ouderschap alleen kan worden aangenomen bij een overwegend gelijke verdeling van verzorging, waarbij het kind ongeveer evenveel nachten bij beide ouders doorbrengt. In dit geval verbleef het kind twee nachten per week bij eiseres en vijf nachten bij de andere ouder, wat niet binnen de door de SVB gehanteerde bandbreedte van 40/60 viel.

Daarom behoort het kind tot het huishouden van de andere ouder en moet de kinderbijslag volledig aan die ouder worden uitbetaald. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van de SVB om haar de helft van de kinderbijslag toe te kennen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2098

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB),

gemachtigde: mr. E.M. Mulder.

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 15 mei 2025 heeft de SVB eiseres meegedeeld dat zij vanaf het vierde kwartaal van 2024 niet de aanvrager is van de kinderbijslag voor [kind 1] en [kind 2] . Wel ontvangen eiseres en haar ex-partner ieder de helft van de kinderbijslag voor [kind 1] . De ex-partner van eiseres ontvangt het volledige bedrag van de kinderbijslag voor [kind 2] .
1.2
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is de SVB bij dit besluit gebleven.
1.3
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De ex-partner van eiseres is aangeschreven als belanghebbende, maar heeft niet gereageerd op de brief van de rechtbank.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar hulpverlener [hulpverlener] , en de gemachtigde van de SVB.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiseres heeft de SVB op 23 september 2024 telefonisch verzocht in aanmerking te komen voor de helft van de kinderbijslag voor haar kinderen [kind 1] en [kind 2] , omdat volgens haar sprake is van co-ouderschap. Na onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.

Standpunten van partijen

3.1
De SVB stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres geen recht heeft op de helft van de kinderbijslag voor [kind 2] over het vierde kwartaal van 2024 tot en met het tweede kwartaal van 2025. Er is geen sprake van co-ouderschap, omdat de ouders hierover verschillend verklaren en er geen schriftelijke afspraken zijn gemaakt over het co-ouderschap en de verdeling van de kinderbijslag. In een dergelijk geval neemt de SVB een beslissing op basis van de feitelijke omstandigheden. Volgens de SVB is geen sprake van gelijke verzorging. [kind 2] overnacht wekelijks twee nachten bij eiseres en vijf nachten bij de andere ouder. Ook indien rekening wordt gehouden met de schoolvakanties, is er geen sprake van een gelijke verdeling van de verzorging. Nu geen sprake is van co-ouderschap geldt de hoofdregel dat de ouder bij wie het kind woont met voorrang recht heeft op de volledige kinderbijslag. Omdat [kind 2] bij de andere ouder woont, heeft die ouder recht op de volledige kinderbijslag voor hem.
3.2
Eiseres stelt dat wel sprake is van co-ouderschap. [kind 2] verblijft wekelijks van vrijdag 14:00 uur tot zondag 19:00 uur bij haar, wat neerkomt op ongeveer 53 uur per week. In de vakanties is hij de helft van de tijd bij haar, wat het jaargemiddelde aanzienlijk verhoogt. De totale zorgverdeling komt in de praktijk overeen met een 40/60-regeling, wat binnen de door de SVB gestelde bandbreedte valt. Verder levert eiseres een substantiële bijdrage aan de verzorging, opvoeding, zowel financieel als praktisch. Ook zonder schriftelijke overeenkomst is er volgens eiseres sprake van feitelijk co-ouderschap.
3.3
De SVB ziet in het aangevoerde geen aanleiding haar standpunt te wijzigen. Daarbij heeft de SVB erop gewezen dat eiseres in het beroepschrift dezelfde gronden noemt als in het bezwaarschrift. De SVB heeft daarom verwezen naar wat in het bestreden besluit is overwogen.

Beoordelingskader

4.1
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de AKW (Algemene Kinderbijslagwet) heeft de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van de AKW recht op kinderbijslag voor een kind dat jonger is dan 18 jaar en dat:
a. tot zijn huishouden behoort, of
b. door hem wordt onderhouden.
4.2
Artikel 18 van Pro de AKW, voor zover van belang, luidt als volgt:
(...)
4. Indien twee of meer personen waaronder één persoon tot wiens huishouden het kind behoort, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag voor eenzelfde kind hebben, wordt de kinderbijslag waarop degene recht heeft, tot wiens huishouden dit kind niet behoort, niet betaald.
(...)
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot situaties van samenloop, bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid, nadere en aanvullende regels worden gesteld waarbij bepaald kan worden dat aan een ander persoon de kinderbijslag wordt uitbetaald dan de persoon, bedoeld in het vierde en vijfde lid.
(...)
4.3
Artikel 10 van Pro het Besluit uitvoering kinderbijslag (BUK)
Indien twee personen die recht hebben op kinderbijslag voor eenzelfde kind, dit kind op basis van een overeenkomst of rechterlijke beschikking overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, wordt tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen of in de rechterlijke beschikking anders is bepaald, het recht van één van deze personen op de kinderbijslag gelijk verdeeld uitbetaald aan beide verzekerden en wordt het recht van de andere persoon niet uitbetaald.
4.4
In de beleidsregel SB1014 Tot het huishouden behoren (hierna: beleidsregel SB1014) is onder meer het volgende bepaald:
“(…)
Blijkens vaste jurisprudentie van de CRvB ziet het begrip huishouden op de feitelijke situatie van het samenwonen. Daarbij wordt als hoofdregel gehanteerd dat van één huishouden sprake kan zijn indien de te beoordelen persoon op dezelfde plaats woont als waar zijn overige gezinsleden wonen. Bij twijfel of hiervan sprake is wordt een persoon geacht daar te wonen waar hij het merendeel van de voor de nachtrust bestemde tijd doorbrengt (ten minste vier nachten per week).
(…)”
4.5
In de beleidsregel SB1096 Kinderbijslagbetaling bij gescheiden huishoudens; echtscheiding en co-ouderschap (hierna: beleidsregel SB1096) is ten aanzien van co-ouderschap het volgende bepaald:
“Een kind kan ook (beurtelings) tot twee huishoudens behoren. Dit doet zich voor bij co-ouderschap. Op grond van artikel 10, eerste lid Besluit uitvoering kinderbijslag is sprake van co-ouderschap als beide ouders een kind op basis van een overeenkomst of rechterlijke uitspraak overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden. De SVB legt deze voorwaarde als volgt uit. Ouders verzorgen hun kind overwegend in gelijke mate als het kind ongeveer even veel nachten bij hen doorbrengt. Ouders onderhouden hun kind overwegend in gelijke mate als sprake is van kinderalimentatie. Als geen kinderalimentatie is vastgesteld, neemt de SVB aan dat het onderhoud op dezelfde wijze is verdeeld als de verzorging. De SVB gaat hierbij uit van de overeenkomst of rechterlijke uitspraak. Als de feitelijke situatie hiervan afwijkt, kijkt de SVB alleen hiernaar als deze situatie een bestendig karakter heeft. In het algemeen is hiervan sprake als de ouders de overeenkomst of rechterlijke uitspraak langer dan zes maanden niet naleven. In gevallen waarin het niet mogelijk is om de feitelijke situatie vast te stellen, gaat de SVB alsnog uit van de overeenkomst of rechterlijke uitspraak.
Als in de overeenkomst of rechterlijke uitspraak geen verdeling van de kinderbijslag is overeengekomen, dan betaalt de SVB de kinderbijslag waarop één van beide ouders recht heeft in gelijke mate uit aan beide ouders. De kinderbijslag waarop de andere ouder recht heeft, betaalt de SVB in dat geval niet uit.
(…)”

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt de weigering van de SVB om eiseres vanaf het vierde kwartaal van 2024 de helft van de kinderbijslag voor [kind 2] uit te betalen. Hiervoor is van belang de vraag of sprake is van co-ouderschap. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van wat eiseres in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
6. De SVB heeft op juiste gronden geweigerd vanaf het vierde kwartaal van 2024 de helft van de kinderbijslag voor [kind 2] aan eiseres uit te betalen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6.1
Verzekerden voor de AKW hebben recht op kinderbijslag voor kinderen jonger dan 18 jaar die tot hun huishouden behoren of door hen worden onderhouden. Meestal hebben kinderen twee voor de AKW verzekerde ouders en hebben de twee ouders over dezelfde tijdvakken recht op kinderbijslag voor dezelfde kinderen. Hun rechten op kinderbijslag lopen dan samen. Op grond van de samenloopbepalingen die zijn opgenomen in de AKW en het BUK, wordt over hetzelfde tijdvak per kind slechts éénmaal kinderbijslag uitbetaald. Meestal moet de SVB de kinderbijslag volledig uitbetalen aan één van beide ouders. Soms is een gesplitste uitbetaling aan de orde.
6.2
Voor gevallen waarin een kind behoort tot de huishoudens van twee verzekerde ouders die geen gezamenlijke huishouding (meer) voeren, is – op grond van artikel 18, zevende lid, van de AKW – een aanvullende regeling getroffen in artikel 10 van Pro het BUK. Deze regeling komt erop neer dat bij co-ouderschap de kinderbijslag bij helfte wordt uitbetaald aan beide ouders, tenzij er in een overeenkomst (ouderschapsplan) of rechterlijke uitspraak iets anders is bepaald.
6.3
De rechtbank stelt vast dat er geen schriftelijke afspraken zijn gemaakt over het co-ouderschap en de verdeling van de kinderbijslag. Partijen zijn het hier ook over eens. Daarom moet op basis van de feitelijke omstandigheden worden beoordeeld of sprake is van co-ouderschap. De SVB gaat er volgens zijn beleid vanuit dat sprake is van co-ouderschap als de ouders geen gemeenschappelijke huishouding voeren en zij het kind in overwegend gelijke mate verzorgen en onderhouden.
6.4
Van overwegend gelijke verzorging is sprake als het kind overwegend in gelijke mate de nachtrust bij beide ouders doorbrengt. In beginsel wordt daarbij uitgegaan van een 50/50 verdeling van verzorging en onderhoud. De SVB kijkt voor de verzorging uitsluitend naar waar het kind de nachten doorbrengt en gaat daarbij uit van een bandbreedte van 40/60.
De rechtbank is van oordeel dat dit past binnen een redelijke beleidsbepaling. Duidelijk is dat in dit geval geen sprake is van een 50/50 verdeling, aangezien [kind 2] twee nachten per week overnacht bij eiseres en vijf nachten per week bij de andere ouder. Alleen in de vakanties is sprake van een 50/50 verdeling. De rechtbank stelt vast dat daarmee ook geen sprake is van een (overwegend) gelijke verdeling, die past binnen de door de SVB gehanteerde bandbreedte van 40/60, ook niet als er rekening mee wordt gehouden dat [kind 2] in de vakanties wel voor een gelijk aantal nachten bij zijn ouders overnacht. De SVB heeft dan ook terecht vastgesteld dat geen sprake is van co-ouderschap op grond van beleidsregel SB1096. Op grond van beleidsregel SB1014 moet worden vastgesteld dat [kind 2] behoort tot het huishouden van de andere ouder. Dit leidt ertoe dat de kinderbijslag moet worden uitbetaald volgens de hoofdregel in artikel 18, vierde lid, van de AKW. Dit houdt in dat de kinderbijslag volledig wordt betaald aan de ex-partner van eiseres.
6.5
De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres moeilijk te aanvaarden is dat zij geen kinderbijslag ontvangt voor [kind 2] , terwijl zij wel aanzienlijk bijdraagt in zijn verzorging en onderhoud. In de wet is echter bepaald dat de kinderbijslag niet wordt betaald aan de ouder tot wiens huishouden het kind niet behoort. Voor co-ouderschap is een uitzondering gemaakt, die in de beleidsregels van de SVB is versoepeld ten opzichte van een 50/50 verdeling door uit te gaan van een bandbreedte van 40/60. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat de SVB deze bandbreedte nog verder had moeten oprekken.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op 6. tot en met 6.5, heeft de SVB terecht geweigerd aan eiseres vanaf het vierde kwartaal van 2024 de helft van de kinderbijslag voor [kind 2] te betalen.
8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.