Eiseres verzocht de SVB om de helft van de kinderbijslag voor haar kinderen toe te kennen op grond van co-ouderschap. De SVB weigerde dit voor één kind omdat er geen sprake was van een gelijke verdeling van verzorging en onderhoud, mede omdat het kind vaker bij de andere ouder verbleef.
Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank beoordeelde het geschil aan de hand van de feitelijke situatie en de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de Algemene Kinderbijslagwet en het Besluit uitvoering kinderbijslag.
De rechtbank oordeelde dat co-ouderschap alleen kan worden aangenomen bij een overwegend gelijke verdeling van verzorging, waarbij het kind ongeveer evenveel nachten bij beide ouders doorbrengt. In dit geval verbleef het kind twee nachten per week bij eiseres en vijf nachten bij de andere ouder, wat niet binnen de door de SVB gehanteerde bandbreedte van 40/60 viel.
Daarom behoort het kind tot het huishouden van de andere ouder en moet de kinderbijslag volledig aan die ouder worden uitbetaald. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.