Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),
Procesverloop
Totstandkoming van het bestreden besluit
Standpunten van partijen
Beoordeling door de rechtbank
13 februari 2020 betrokken, waarin niet wordt gesproken over vermoeidheidsklachten. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat het feit dat hij destijds niet heeft aangegeven dat hij vermoeid was, niet betekent dat hij niet vermoeid was. Het UWV kan echter niet anders dan zich baseren op de voorhanden (medische) informatie uit die periode, nu eiser zich pas in 2023 bij het UWV heeft gemeld. De rechtbank kan het UWV volgen in het standpunt dat uit de voorhanden medische informatie niet volgt dat eisers hartklachten hebben geleid tot (forse) vermoeidheidsklachten. De brief van de psychiater van 18 mei 2020 maakt dit oordeel niet anders, nu deze brief geen steun vindt in de eerder genoemde brieven van de cardioloog. In de brief van de cardioloog van 13 februari 2020 wordt immers nog beschreven dat eiser zich goed voelt en geen inspanningsgebonden klachten heeft.
26 september 2025. Alleen een wisseling van medicatie wil niet zeggen dat sprake is van psychische klachten die tot beperkingen zouden moeten leiden. Met de temazepam is eiser gestart na de datum in geding. Daar komt bij dat eiser deze medicatie maar kort heeft gebruikt en alleen voor de nacht. Hiermee is al rekening gehouden doordat eiser beperkt is geacht voor ’s nachts werken, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook heeft opgemerkt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat eiser niet aangewezen is op beperkingen ten aanzien van de items 1.9.8 'hoog handelingstempo' en 1.9.9 'verhoogd persoonlijk risico'.