ECLI:NL:RBOVE:2026:854

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
AK_25_2251
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)Wet werkloosheidsverzekering (WW)Ziektewet (ZW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering na bezwaar

Eiser heeft meerdere keren een WIA-uitkering aangevraagd, waarbij het UWV aanvankelijk weigerde deze toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheidspercentage onder de 35%. Na bezwaar heeft het UWV in juli 2025 alsnog een WIA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 42,70% per 8 mei 2017.

Eiser betwist deze vaststelling en voert aan dat zijn beperkingen, waaronder een verminderde pompfunctie van het hart en mentale klachten, onvoldoende zijn meegewogen, en dat hij recht heeft op een urenbeperking. Het UWV baseert zich op medische en arbeidsdeskundige rapporten die aangeven dat eiser ondanks zijn beperkingen in staat is om diverse functies te vervullen zonder overschrijding van zijn belastbaarheid.

De rechtbank oordeelt dat de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV voldoende is gemotiveerd en dat de stellingen van eiser onvoldoende onderbouwd zijn om tot een andere beoordeling te komen. De rechtbank volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn oordeel dat er geen aanleiding is voor een urenbeperking en dat de mentale klachten niet leiden tot extra beperkingen op de datum in geding.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de vaststelling van 42,70% arbeidsongeschiktheid per 8 mei 2017.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2251

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. K. Aslan,
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gemachtigde: mr. C. Lubberts.

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 8 januari 2024 heeft het UWV eiser meegedeeld dat hij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
1.2
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Op 12 juni 2024 heeft het UWV na verzekeringsgeneeskundig onderzoek in de plaats van het besluit van 8 januari 2024 een nieuw besluit genomen. Bij dit besluit heeft het UWV eiser een WIA-uitkering geweigerd per 16 januari 2016, omdat eiser andere gezondheidsklachten had dan waarvoor eerder per
6 juni 2012 een WIA-uitkering is geweigerd. Het UWV heeft het bezwaar tegen het besluit van 8 januari 2024 mede gericht geacht tegen dit besluit en daarin ook de nieuwe bezwaargronden betrokken.
1.3
Met het bestreden besluit van 9 juli 2025 heeft het UWV eisers bezwaar gegrond verklaard. Het UWV heeft eiser vanaf 8 mei 2017 alsnog een WIA-uitkering toegekend, die vanaf 13 september 2022 tot uitbetaling komt. Dit is 52 weken voorafgaand aan de datum waarop eiser de WIA-aanvraag heeft gedaan, namelijk 12 september 2023.
1.4
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door [naam], de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.1
Eiser is werkzaam geweest als heier voor 40,62 uur per week. Op 8 april 2005 heeft hij zich ziek gemeld. Na de wachttijd van 104 weken is eiser per 6 april 2007 minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht. Daarom is hem geen WIA-uitkering toegekend. Eiser heeft een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.
2.2
Vanaf 19 december 2008 tot en met 14 juni 2009 heeft eiser gewerkt als pijpfitter voor 40 uur per week via een uitzendbureau met een contract van één jaar. Na het einde van deze werkzaamheden heeft eiser opnieuw een WW-uitkering ontvangen. Op 26 oktober 2009 heeft eiser zich ziek gemeld vanuit de WW. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek is hij hiervoor hersteld geacht per 31 maart 2010. Eiser heeft daarna opnieuw WW-uitkering ontvangen.
2.3
Op 9 juni 2010 heeft eiser zich vanuit de WW opnieuw ziek gemeld. Hem is na een Amber-beoordeling een WIA-uitkering geweigerd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Hij heeft een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Eiser heeft het UWV verzocht hem bij het einde van de wachttijd een WIA-uitkering toe te kennen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek heeft het UWV geweigerd eiser een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Eiser heeft vervolgens opnieuw WW-uitkering ontvangen tot 17 november 2012. Na een ziekmelding op 11 november 2012 is eiser na verzekeringsgeneeskundig onderzoek hersteld verklaard per 30 november 2012.
2.4
Op 12 september 2023 heeft eiser opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd in verband met arbeidsongeschiktheid vanaf 16 januari 2016. Deze aanvraag is bij besluit van
12 september 2023 afgewezen, omdat eiser op de dag van ziekmelding niet verzekerd was voor de WIA. Op 19 september 2023 en 16 oktober 2023 heeft eiser bij het UWV melding gedaan van toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 2017. Bij besluit van 23 oktober 2023 heeft het UWV eisers aanvraag van 16 oktober 2023 afgewezen, omdat eiser op de datum van ziekmelding niet verzekerd was.
2.5
Op 24 november 2023 heeft eiser opnieuw melding gedaan van toegenomen arbeidsongeschiktheid, maar nu vanaf 2012. Hierop heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.

Standpunten van partijen

3.1
Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser met zijn beperkingen nog steeds werk kan verrichten. Met dit werk zou eiser 42,70% minder kunnen verdienen dan zijn maatman, in dit geval een gezonde heier voor 40,62 uur per week. Het UWV heeft hierbij gewezen op het rapport van 28 maart 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het rapport van 10 juni 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
3.2
Eiser stelt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van 42,70% niet voldoende tegemoet komt aan de klachten en beperkingen die hij ervaart. Eiser acht zich aangewezen op een urenbeperking. Er is sprake van een verminderde pompfunctie van het hart. Uit de standaard 'Duurbelastbaarheid in arbeid' blijkt dat in het geval van een status na hartinfarct met verminderde pompfunctie gesproken kan worden van een tekort aan energie. Dit zou een reden kunnen zijn voor een urenbeperking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet gemotiveerd waarom dit in eisers geval niet heeft geleid tot het aannemen van een urenbeperking.
Daarnaast is ook met eisers mentale klachten onvoldoende rekening gehouden. Eiser werd in 2017 niet behandeld voor zijn mentale klachten, maar dit wil niet zeggen dat hij destijds geen mentale klachten had. Uit de medische informatie komt naar voren dat eiser langere tijd medicamenteus wordt behandeld voor mentale klachten. Dit zou reden moeten zijn voor meer mentale beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren op de items 1.9.8 'hoog handelingstempo' en 1.9.9 'verhoogd persoonlijk risico' in verband met het medicatiegebruik (temazepam).
3.3
Het UWV ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. Daarbij heeft het UWV verwezen naar het rapport van 26 september 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het UWV eisers mate van arbeidsongeschiktheid per 8 mei 2017 terecht heeft vastgesteld op 42,70%. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De medische grondslag
5.1
De belastbaarheid van eiser per datum in geding is op navolgbaar gemotiveerde wijze weergegeven in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
5.2
In zijn rapport van 28 maart 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat eiser vanwege het hartinfarct op 8 mei 2017 kortdurend opgenomen is geweest in het ziekenhuis en daarna is overgeplaatst naar een ander ziekenhuis voor een bypassoperatie op 24 mei 2017. Aansluitend is eiser één dag opgenomen op de IC, zonder complicaties. Revalidatie was aangewezen, maar is kennelijk niet of nauwelijks gevolgd.
Het eerstvolgende bericht met betrekking tot cardiale klachten (in het huisartsenjournaal) dateert van 19 november 2019, toen eiser zich presenteerde met pijn op de borst, die geduid werd als tendomyogeen; aanwijzingen voor (toename van) cardiale problematiek werden niet gevonden. In de laatste brief van de cardioloog/verpleegkundig specialist van
13 februari 2020 staat beschreven dat eiser zich goed voelt en geen inspanningsgebonden klachten heeft.
5.2.1
Op grond van bovenstaande heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er vanaf 8 mei 2017 in elk geval tijdelijk sprake is geweest van toegenomen beperkingen. Er is echter geen sprake geweest van een opnameduur c.q. GBM-situatie die langer dan drie maanden geduurd heeft. Daarom kan per datum ziekmelding niet uitgegaan worden van volledige arbeidsongeschiktheid. Gezien het beloop van de beschreven behandelingen, het stabiele beeld in de periode daarna (tot op heden) en het ontbreken van inspanningsgebonden klachten, ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding om van lichte toegenomen beperkingen uit te gaan in vergelijking met de FML van 20 maart 2012. Dit betreft dan vooral de krachtfuncties en hoogfrequente belasting. Redenen voor een urenbeperking ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet. Wel acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser beperkt voor werken in nachtdiensten en onregelmatige werktijden.
5.2.2
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een nieuwe FML opgesteld, geldend vanaf 8 mei 2017, waarbij de belastbaarheid is aangepast op de items 4.9 (frequent reiken), 4.10 (frequent buigen), 4.14 (tillen/dragen), 4.16 (zware lasten hanteren), 4.20 (trappenlopen), 6.1 ('s nachts werken) en 6.4 (regelmatige werktijden).
5.3
In zijn rapport van 26 september 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd waarom hij in het in beroep aangevoerde en in de door eiser in beroep overgelegde medische gegevens geen aanleiding ziet om meer beperkingen aan te nemen.
5.3.1
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat eisers gemachtigde heeft gesteld dat de 'matige linkerventrikelfunctie' c.q. ejectiefractie van 40-45%, zoals vastgesteld in mei/juni 2017 aanleiding had moeten zijn voor het aannemen van een urenbeperking. Deze stelling wordt niet onderbouwd met medische feiten/gegevens.
Met name zijn er geen gegevens waaruit blijkt dat de beschreven problematiek bij eiser op de datum in geding ook aanleiding gaf tot een verminderde energetische belastbaarheid.
De brief van de cardioloog van 10 mei 2017 (2 dagen na datum in geding) maakt althans geen melding van energetische klachten. Ook in de volgende brieven wordt geen melding gemaakt van energetische problematiek. Bij de laatste cardiologische controle in 2020 was er ook geen sprake van inspanningsgebonden klachten. Voorts zegt de ejectiefractie op zichzelf weinig over de energetische belastbaarheid. De metingen bij eiser wijzen op een licht verminderde waarde, zonder dat nadere gegevens over het inspanningsvermogen bekend zijn. Uit dit enkele gegeven kan, zeker in het licht van het bovenstaande, dan ook geen indicatie voor een urenbeperking worden afgeleid.
5.3.2
Ten aanzien van mogelijk bestaande psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat vaststaat dat eiser rond de datum in geding niet onder behandeling stond voor psychische klachten en dat het dossier ook geen psychische klachten beschrijft in de periode rond de datum in geding. Het gegeven dat in de tussenliggende periode kennelijk een wisseling van medicatie heeft plaatsgevonden geeft, zonder nadere context, geen aanleiding om van specifieke arbeidsbeperkingen op de datum in geding uit te gaan. Eiser heeft de betreffende psychofarmaca op de datum in geding al jaren in gelijke dosering gebruikt en klachten over bijwerkingen als sufheid of een verminderd reactievermogen worden nergens beschreven. Er is dan ook geen aanleiding om aanvullende beperkingen aan te nemen.
5.3.3
Met betrekking tot het gebruik van temazepam merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat hiermee pas gestart is na de datum in geding, ten tijde van de opname van
19 mei 2017 tot en met 27 mei 2017. Uit de brief van de thoraxchirurg van 27 mei 2017 blijkt dat eiser dit medicijn nog niet gebruikte bij opname. Voorts werd temazepam voorgeschreven voor de nacht. Aangezien eiser al beperkt is voor ’s nachts werken, is er geen aanleiding om aanvullende beperkingen vast te stellen. Voorts is het gebruik van temazepam zeer tijdelijk geweest, gezien het feit dat dit niet meer benoemd wordt in de specialistenbrief van 19 juni 2017.
5.4
De rechtbank ziet geen aanleiding de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen.
5.4.1
De arts heeft inzichtelijk en navolgbaar gemotiveerd waarom de verminderde pompfunctie in dit geval niet leidt tot het aannemen van een urenbeperking. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de brieven van de cardioloog van 10 mei 2017 en
13 februari 2020 betrokken, waarin niet wordt gesproken over vermoeidheidsklachten. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat het feit dat hij destijds niet heeft aangegeven dat hij vermoeid was, niet betekent dat hij niet vermoeid was. Het UWV kan echter niet anders dan zich baseren op de voorhanden (medische) informatie uit die periode, nu eiser zich pas in 2023 bij het UWV heeft gemeld. De rechtbank kan het UWV volgen in het standpunt dat uit de voorhanden medische informatie niet volgt dat eisers hartklachten hebben geleid tot (forse) vermoeidheidsklachten. De brief van de psychiater van 18 mei 2020 maakt dit oordeel niet anders, nu deze brief geen steun vindt in de eerder genoemde brieven van de cardioloog. In de brief van de cardioloog van 13 februari 2020 wordt immers nog beschreven dat eiser zich goed voelt en geen inspanningsgebonden klachten heeft.
5.4.2
Met betrekking tot de psychische klachten heeft eiser gewezen op het gebruik van medicatie voor mentale klachten rond de datum in geding. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierop voldoende is ingegaan in zijn rapport van
26 september 2025. Alleen een wisseling van medicatie wil niet zeggen dat sprake is van psychische klachten die tot beperkingen zouden moeten leiden. Met de temazepam is eiser gestart na de datum in geding. Daar komt bij dat eiser deze medicatie maar kort heeft gebruikt en alleen voor de nacht. Hiermee is al rekening gehouden doordat eiser beperkt is geacht voor ’s nachts werken, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook heeft opgemerkt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat eiser niet aangewezen is op beperkingen ten aanzien van de items 1.9.8 'hoog handelingstempo' en 1.9.9 'verhoogd persoonlijk risico'.
5.5
Het voorgaande betekent dat het UWV de FML van 28 maart 2025 ten grondslag mocht leggen aan het bestreden besluit.
De arbeidskundige grondslag
6. Uitgaande van de FML van 28 maart 2025 is het aannemelijk dat eiser in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), heftruckchauffeur (SBC-code 111270) en lader, losser (SBC-code 111220), alsmede de reservefuncties textielproductenmaker (exc. vervaardigen textiel) (SBC-code 111160) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen, vruchten) (SBC-code 111010) te vervullen. In het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 10 juni 2025 is naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom deze functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van eiser op de in geding zijnde datum.

Conclusie en gevolgen

7. Het voorgaande betekent dat het UWV eisers mate van arbeidsongeschiktheid per 8 mei 2017 terecht heeft vastgesteld op 42,70%.
8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.