ECLI:NL:RBOVE:2026:855

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
AK_25_2289
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op Ziektewet-uitkering wegens arbeidsgeschiktheid voor eigen werk

Eiser, werkzaam als CNC-operator, meldde zich op 8 februari 2024 ziek en vroeg een Ziektewet-uitkering aan. Het UWV oordeelde dat eiser vanaf die datum arbeidsgeschikt was voor zijn eigen werk en weigerde de uitkering toe te kennen. Eiser stelde bezwaar en beroep in tegen dit besluit. De rechtbank vernietigde eerder een besluit van het UWV wegens onvoldoende motivering en onzorgvuldigheid.

Na aanvullend onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde het UWV opnieuw dat eiser arbeidsgeschikt was vanaf 8 februari 2024, maar effectueerde de herstelverklaring pas per 11 juni 2024. Eiser voerde aan dat zijn psychische klachten hem ongeschikt maakten, maar de rechtbank vond de medische rapporten en het gedrag van eiser onvoldoende om dit te onderbouwen.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen ernstige psychopathologie vertoonde die hem belemmerde zijn werk als CNC-operator uit te voeren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de beperkingen van eiser meegewogen en de werkzaamheden van eiser waren duidelijk afgebakend en zelfstandig uit te voeren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat eiser vanaf 8 februari 2024 arbeidsgeschikt is, blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2289

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. K. Aslan,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(UWV),
gemachtigde: mr. C. Lubberts.

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 10 juni 2024 heeft het UWV eiser meegedeeld dat hij vanaf 8 februari 2024, de datum van ziekmelding, arbeidsgeschikt wordt geacht voor zijn eigen werk en daarom geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Met het besluit van 29 oktober 2024 heeft het UWV eisers bezwaar gegrond verklaard met dien verstande dat hij vanaf 8 februari 2024 weliswaar arbeidsgeschikt wordt geacht voor zijn werk, maar dat de 'herstelverklaring' niet eerder dan per 5 juni 2024 wordt geëffectueerd.
1.3
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 24/4261. Met de uitspraak van 10 juni 2025 heeft de rechtbank eisers beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 oktober 2024 vernietigd, voor zover eiser hierbij vanaf 8 februari 2024 in staat is geacht zijn arbeid te verrichten en voor zover hierbij die herstelverklaring is geëffectueerd per 5 juni 2024. [1] De rechtbank heeft het UWV opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.
1.4
Met het bestreden besluit van 17 juli 2025 heeft het UWV opnieuw op het bezwaar beslist. Het UWV heeft eisers bezwaar gegrond verklaard. Eiser is vanaf 8 februari 2024 weliswaar arbeidsgeschikt voor zijn eigen werk, maar het UWV effectueert de 'herstelverklaring' niet eerder dan 11 juni 2024. Dit is een dag nadat eiser er door het primaire besluit van op de hoogte is gebracht dat hij vanaf 8 februari 2024 arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werk.
1.5
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser is vanaf 30 augustus 2021 werkzaam geweest als CNC-operator voor 25 uur per week via een uitzendbureau. Op 21 februari 2022 heeft hij zich ziek gemeld. Hij heeft een ZW-uitkering ontvangen. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek is eisers ZW-uitkering beëindigd per 24 november 2023. Hij is daarbij geschikt geacht voor zijn eigen werk. Het bezwaar van eiser daartegen is ongegrond verklaard. Eiser heeft geen beroep ingesteld. Hij heeft een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 8 februari 2024 heeft eiser zich vanuit de WW opnieuw ziek gemeld. Bij besluit van 27 maart 2024 is aan eiser een ZW-uitkering toegekend. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

De uitspraak van 10 juni 2025

3. In de uitspraak van 10 juni 2025 heeft de rechtbank geconcludeerd dat het besluit van
29 oktober 2024 niet deugdelijk is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij heeft de rechtbank in rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4 het volgende overwogen:
"4.3 De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd dat de psychische klachten van eiser niet zouden kunnen leiden tot ongeschiktheid voor eisers maatgevende arbeid. Gelet op de overwegingen van de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, moet worden vastgesteld dat het UWV voor zijn standpunt heeft aangesloten bij de beoordeling die heeft geleid tot de herstelverklaring per 24 november 2023 en dat eiser niets heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de medische situatie op 8 februari 2024 anders was dan die op 24 november 2023. De rechtbank acht de verwijzing naar de beoordeling in november 2023 onvoldoende, aangezien de motivering van die herstelverklaring destijds onvoldoende draagkrachtig moet worden geacht. Die motivering bestond er in de kern in dat eiser onvoldoende behandeling had gezocht voor zijn klachten. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat het enkele niet zoeken van een behandeling betekent dat de klachten niet ernstig zijn. Er kunnen immers andere redenen zijn waarom geen behandeling wordt gezocht, waaronder de ernst van de klachten die bij een betrokkene spelen. Daar komt bij dat eiser inmiddels zijn behandeling kennelijk wel weer heeft gestart. Hij is hiertoe verwezen door zijn huisarts. Dat die nog niet heeft geleid tot een daadwerkelijke start van een behandeling, is mogelijk het gevolg van lange wachtlijsten bij GGZ-instellingen, zoals ook aangevoerd door gemachtigde: daaruit kan aldus niet worden afgeleid dat de klachten niet tot arbeidsongeschiktheid zouden kunnen leiden.
4.4 De rechtbank merkt bij het vorenstaande op dat het besluit van 27 november 2023, waarmee eiser vanaf 24 november 2023 hersteld is geacht, weliswaar formele rechtskracht heeft gekregen, maar dat deze formele rechtskracht zich niet uitstrekt tot de feiten en omstandigheden die aan dat besluit ten grondslag liggen. In dit geval is immers sprake van een beoordeling per latere datum."

Standpunten van partijen

4.1
Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser vanaf 8 februari 2024 arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werk. De herstelverklaring wordt echter niet eerder dan per 11 juni 2024 geëffectueerd in verband met de aanzegging met het besluit van 10 juni 2024. Het UWV heeft gewezen op het rapport van 15 juli 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, rekening houdend met de uitspraak van de rechtbank, opnieuw onderzocht of de eerdere beoordeling stand houdt. Zij heeft geconcludeerd dat eiser per 8 februari 2024 arbeidsgeschikt was voor zijn ZW-verzekerde arbeid als CNC-operator voor 25 uur per week.
4.2
Eiser stelt dat hij ten onrechte hersteld is geacht per 8 februari 2024. Het niet verschijnen op afspraken is een gevolg geweest van zijn mentale problematiek. Dit is niet het gevolg van niet gemotiveerd zijn. Eiser heeft gewezen op de informatie van de huisarts van 7 februari 2024, één dag voor de datum in geding en op het rapport van 28 maart 2024 van verzekeringsarts I. Sie (hierna: Sie). Onduidelijk is of de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft beoordeeld of eiser met de door Sie van toepassing geachte beperkingen in staat is om zijn eigen functie te vervullen. Volgens eiser is daarmee nog steeds sprake van een onzorgvuldige beoordeling.
4.3
Het UWV ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. Hierbij heeft het UWV gewezen op het rapport van 4 november 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Beoordeling door de rechtbank

5.1
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Dit betekent dat in deze zaak voor ‘zijn arbeid’ uitgegaan dient te worden van zijn arbeid als CNC-operator voor 25 uur per week. Indien iemand voorafgaand aan de ziekmelding werkloos was, dient onder ‘zijn arbeid’ te worden verstaan de werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. Dit is bepaald in artikel 19, vijfde lid, van de ZW.
5.2
In haar rapport van 15 juli 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat eiser van maart 2023 tot het spreekuur op 24 november 2023 niet onder behandeling was voor psychische klachten. De behandeling is beëindigd omdat eiser niet op afspraken verscheen en ook niet reageerde op diverse pogingen tot contact van de behandelaar. Eiser reageerde ook niet op een zogenaamde '14 dagenbrief'. De behandelaar hield rekening met het gegeven dat eiser zich aan behandeling kon onttrekken als teveel werd gevraagd over zijn belaste verleden. Er werd namelijk gepoogd een behandelrelatie op te bouwen met als insteek een afwijkende labwaarde in het bloed (te hoog Vit B6), waarschijnlijk gerelateerd aan buitensporige RedBull-consumptie. Dit was blijkbaar voor eiser al een reden om zich volledig te onttrekken aan behandeling. Dit duidt er op dat eiser weinig motivatie heeft voor behandeling. Het is niet vanuit een ziektebeeld te verklaren waarom gesprekken met een gekwalificeerde behandelaar over RedBull-consumptie niet door eiser aangegaan zouden kunnen worden.
Dit beeld van weinig motivatie voor behandeling blijkt ook uit de eerder beëindigde behandeling bij Dimence in 2020. Eiser kwam de afspraken voor EMDR-behandeling niet na, maar meldde zich enkele maanden later wel spontaan bij Dimence toen hij voor zijn advocaat een briefje nodig had in het kader van de rechtszaak voor letselschade. Blijkbaar kon hij toen de weg naar de GGZ wel vinden. Niet is in te zien waarom hij die weg niet zou kunnen vinden als het gaat om behandeling van zijn klachten.
Vervolgens meldt eiser zich pas op 7 februari 2024 met psychische klachten (opnieuw) bij de huisarts. Die verwees hem naar Dimence. Eiser meldde zich per 8 februari 2024 ziek.
Medio maart 2024 laat Dimence aan de huisarts weten dat eiser niet in behandeling zal worden genomen: advies is om eiser terug te verwijzen naar Transfore. Daar is eerder een behandeling geadviseerd die niet heeft plaatsgevonden. Er is daar geen PTSS vastgesteld. De huisarts heeft eiser geprobeerd te bereiken, maar eiser heeft niet teruggebeld of anderszins contact met de huisarts opgenomen. Tot 19 juni 2024, toen werd het de huisarts duidelijk dat eiser toch verwezen wilde worden naar Transfore, dat is gedaan. Hij is daar in november 2024 voor een intake geweest.
Uit het medisch onderzoeksverslag van verzekeringsarts Sie van 28 maart 2024 (dichtbij de datum in geding) blijkt dat eiser het huishouden doet, kookt, geregeld naar zijn moeder en zijn twee jongere zusjes gaat. Verder is hij bezig met zijn hond. Hij bezoekt vrienden en kennissen. Hij doet de administratie zelfstandig via zijn telefoon. Er is te weinig inkomen waardoor ze niet goed uit kunnen komen. Eiser rijdt auto, doet boodschappen en gaat met een buurjongen vissen. Kortom niets dat wijst op ernstige psychopathologie. Er is dus ook geen enkele grond om aan te nemen dat hij door zijn aandoeningen de huisarts en/of een behandelaar bij de GGZ/Transfore niet eerder zou hebben kunnen bezoeken of anderszins geen behandeling zou kunnen aangaan. Dit past ook bij wat Sie beschrijft bij haar onderzoeksbevindingen. Zij ziet namelijk geen afwijkingen.
Het is duidelijk dat eiser door zijn psychische aandoeningen beperkingen heeft in persoonlijk en sociaal functioneren. Hij is aangewezen op werk met duidelijke afgebakende taken, die hij zelfstandig kan uitvoeren.
Gelet op de ZW-verzekerde arbeid is eiser per 8 februari 2024 arbeidsgeschikt te achten. Dit werk voerde hij zelfstandig uit en het betrof werk met duidelijke afgebakende taken, namelijk het maken van bedonderdelen. Van elk onderdeel staan de maten, het aantal en het materiaal etc. vooraf vast. Eiser dient de machine in te stellen en de producten vervolgens te controleren. Als de serie klaar is, bouwt hij de machine om voor de volgende serie. Hij werkt daarbij zelfstandig in een normaal tempo. Bij het eerder verrichte lichamelijke onderzoek bleek er geen functiebeperking van de knie. Dit past ook bij de locatie van de kogel halverwege het bovenbeen. Hiermee kan eiser in staat worden geacht om zijn ziektewetverzekerde arbeid te verrichten.
5.3
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met het vorenstaande inzichtelijk en voldoende heeft gemotiveerd dat het veelvuldig niet verschijnen op de afspraken voor behandeling en niet reageren op de uitnodigingen voor contact niet te verklaren zijn vanuit de gestelde diagnoses. Eiser heeft geen medische informatie in geding gebracht die daar afbreuk aan doet. Aangevoerd is dat eiser niet in staat is naar afspraken te gaan, maar uit eisers dagverhaal, zoals vermeld door verzekeringsarts Sie in het rapport van 28 maart 2024 naar aanleiding van eisers spreekuurbezoek op 15 februari 2024, kan dit niet worden afgeleid. Daarnaast valt niet in te zien dat eiser geen enkele afspraak kon bezoeken, met name niet nu hij wel voor een medische verklaring aanleiding heeft gezien zelf contact te zoeken met de behandelaar. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten om de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin niet te volgen.
5.4
Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht opgemerkt dat de verwijzing naar Transfore in de rede lag, omdat een eerdere behandeling daar was afgebroken. Dat de huisarts eiser zou hebben verwezen, omdat hij eisers situatie destijds ernstig achtte, kan niet worden afgeleid uit deze verwijzing. Daarbij komt dat een spoedverwijzing in de verwachting had gelegen, als de klachten van eiser op dat moment ernstig waren.
5.5
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht opgemerkt dat eiser op 15 februari 2024, dus een week na de datum in geding, het spreekuur van verzekeringsarts Sie heeft bezocht. Zij heeft geen aanwijzingen waargenomen voor psychisch disfunctioneren.
Op 6 maart 2024 heeft eiser vervolgens het spreekuur van verzekeringsarts bezwaar en beroep G. van den Brandhof bezocht. Ook diens bevindingen wijzen niet op een ernstig toestandsbeeld dat erop wijst dat eiser destijds ongeschikt geacht moet worden tot het verrichten van zijn werk.
5.6
Op basis van alle bevindingen, is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat bij eiser op 8 februari 2024 geen sprake was van een zodanig ernstig (psychisch) ziektebeeld dat hij niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Eiser heeft aangevoerd dat verzekeringsarts Sie wel beperkingen heeft vastgesteld en dat onduidelijk is of de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft beoordeeld of eiser met deze beperkingen met ingang van 8 februari 2024 in staat was zijn eigen werk te verrichten. De rechtbank stelt echter vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel degelijk rekening heeft gehouden met de beperkingen die verzekeringsarts Sie heeft besproken.
5.7
De rechtbank ziet geen aanleiding te concluderen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen goed beeld heeft gehad van het eigen werk van eiser. Zij is uitgegaan van de beschrijving van het werk als CNC-operator in een vacature. De beschrijving in die vacature komt overeen met wat eiser eerder heeft verklaard over zijn eigen werk, namelijk dat het werk bestond uit hout schuren en als operator aan een machine zelfstandig onderdelen van een bed maken.

Conclusie en gevolgen

6. Het voorgaande betekent dat het UWV eiser vanaf 8 februari 2024 terecht arbeidsgeschikt acht voor zijn eigen werk, zodat eiser geen recht heeft op een ZW-uitkering. Het UWV heeft de herstelmelding vervolgens terecht geëffectueerd met ingang van 11 juni 2024 in verband met de aanzegging met het besluit van 10 juni 2024.
7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
8. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.