ECLI:NL:RBOVE:2026:881

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
11726935 \ CV EXPL 25-1765
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens ontbrekende en beschadigde spullen na huurovereenkomst

Eiser vordert schadevergoeding van gedaagde 1 en gedaagde 2 omdat zij na het einde van de huurovereenkomst niet alle spullen van eiser uit de woning hebben teruggegeven en sommige spullen beschadigd zijn teruggekomen. De kantonrechter oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat gedaagden de spullen hebben kwijtgemaakt of beschadigd.

De feiten tonen aan dat de ex-partner van eiser de woning huurde en dat na beëindiging van de huurovereenkomst de woning door gedaagden is leeggehaald en de spullen in opslag zijn geplaatst. Eiser heeft eerder een kort geding gewonnen waarin gedaagden werden veroordeeld om een lijst met spullen af te geven, wat zij ook hebben gedaan. Eiser heeft echter nog spullen gemist en vordert nu schadevergoeding.

De kantonrechter stelt vast dat tussen het laatste bezoek van eiser aan de woning en het moment van oplevering een periode van ongeveer twee maanden ligt waarin alleen de huurder toegang had. Eiser kan niet met redelijke mate van zekerheid aantonen dat gedaagden de spullen hebben meegenomen of beschadigd. Ook voor de beschadigde spullen heeft eiser geen bewijs geleverd dat de schade tijdens de ontruiming is ontstaan.

Daarom wijst de kantonrechter de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens ontbrekende en beschadigde spullen wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11726935 \ CV EXPL 25-1765
Vonnis van 17 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. E.J. Bijl,
procederend met een toevoeging, afgegeven onder nummer [nummer]
tegen

1.[gedaagde 1],

wonende in [woonplaats 2],
2.
[gedaagde 2],
wonende in [woonplaats 3],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
gemachtigde: mr. J. Kossen.

1.De zaak in het kort

1.1.
De ex-partner van [eiser] heeft een woning gehuurd van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. In die woning stonden ook spullen van [eiser]. Na het einde van de huurovereenkomst, toen [naam] uit de woning was vertrokken, hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning leeggehaald. [eiser] zegt dat zij niet al haar spullen heeft teruggekregen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Voor die spullen vraagt [eiser] een schadevergoeding. Daarnaast vraag [eiser] een schadevergoeding voor spullen die zij beschadigd heeft teruggekregen.
1.2.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] niet voldoende heeft kunnen onderbouwen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de spullen hebben kwijtgemaakt waarvoor zij in deze procedure een schadevergoeding vraagt. Dat geldt ook voor de beschadigde spullen. Daarvan heeft [eiser] niet voldoende kunnen onderbouwen dat die beschadigingen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn veroorzaakt. Dit betekent dat de kantonrechter de vordering van [eiser] afwijst.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het e-mailbericht van [eiser] met daarin een eisvermindering,
- de akte met een aanvullende productie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
- de mondelinge behandeling van 16 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- spreekaantekeningen van beide partijen.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter meegedeeld dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

3.De feiten

3.1.
[eiser] heeft een affectieve relatie gehad met de heer [naam] (hierna: [naam]). [naam] huurde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning aan de [adres] (hierna: de woning).
3.2.
[naam] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben afgesproken dat [naam] de woning op 26 oktober 2024 bezemschoon zal opleveren aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2].
3.3.
Op 13 november 2024 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning leeggehaald en de spullen die in de woning stonden naar een opslag gebracht.
3.4.
In december 2024 is [eiser] een kort gedingprocedure begonnen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. In die procedure zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] – kort gezegd – veroordeeld om een lijst met spullen van [eiser] aan haar af te geven. Als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dit niet zouden doen, moesten zij van de rechter een dwangsom (een soort geldboete) betalen. Om aan de veroordeling te voldoen hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 27 januari 2025 verschillende spullen afgegeven bij gerechtsdeurwaarderskantoor Armaere.
3.5.
[eiser] heeft beslag laten leggen onder de bankrekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. [eiser] vond dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet al haar spullen hadden teruggegeven, en dat zij daarom de dwangsom moesten betalen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de dwangsommen van € 3.000,00 aan [eiser] betaald, waarna het beslag op hun bankrekening is opgeheven.
3.6.
Partijen hebben met hun advocaten geprobeerd om er samen uit te komen. Dat is niet gelukt.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat en na vermindering van eis - veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 2.318,00, vermeerderd met rente, als ook een bedrag van € 484,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn het niet eens met de vordering van [eiser], en voeren verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Spreekt [eiser] de juiste partijen aan?
5.1.
De kantonrechter moet eerst beoordelen of [eiser] de juiste partijen heeft aangesproken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vinden namelijk dat [eiser] bij [naam] moet zijn voor de ontbrekende spullen. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] was [naam] verplicht om de spullen uit de woning te halen, en de woning leeg achter te laten.
5.2.
De kantonrechter volgt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hierin niet. Het staat vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] spullen van [eiser] uit de woning hebben gehaald, en aan haar hebben teruggegeven. [eiser] vordert schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] volgens haar niet alles (in goede staat) hebben teruggegeven. Het staat [eiser] vrij deze vordering in te stellen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Het maakt voor de beoordeling van die vordering niet uit wat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met [naam] contractueel hadden afgesproken.
5.3.
Nu [eiser] een vordering kan instellen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2], kan de kantonrechter de zaak inhoudelijk gaan beoordelen.
De inhoudelijke beoordeling
5.4.
De kantonrechter moet in deze zaak de volgende vraag beantwoorden: hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] spullen van [eiser] kwijtgemaakt, en bij het leeghalen van de woning spullen van [eiser] beschadigd, waarvoor zij een schadevergoeding aan [eiser] moeten betalen? De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen schadevergoeding aan [eiser] hoeven te betalen. Dat oordeel wordt hierna uitgelegd.
5.5.
De kantonrechter stelt het volgende voorop. [eiser] is de eisende partij in deze zaak. Dat betekent dat zij moet uitleggen waarom zij vindt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een schadevergoeding aan haar moeten betalen. Daarvoor moet [eiser] de feiten noemen waar dat uit kan blijken. Om een vordering te kunnen toewijzen moet de rechter een redelijke mate van zekerheid hebben over de daarvoor aangevoerde feiten.
5.6.
Het volgende staat vast. Op 19 oktober 2024 hebben [naam] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] afgesproken dat zij de huurovereenkomst zullen beëindigen. Daarbij hebben [naam] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] afgesproken dat [naam] de woning op 26 oktober 2024 uit de woning zal gaan. Vervolgens hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning op 13 november 2024 leeggehaald. De spullen die zij in de woning hebben gevonden, hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] naar een opslag gebracht en daar bewaard. Verder staat het vast dat [eiser] eind augustus 2024 voor het laatst in de woning is geweest.
5.7.
Tussen het moment dat [eiser] voor het laatst in de woning is geweest en het moment dat [naam] de woning moest opleveren aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zit ongeveer twee maanden. In die periode had alleen [naam] toegang tot de woning, en dus ook tot de spullen die op dat moment nog in de woning stonden.
5.8.
[eiser] verwijt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij niet al haar spullen (in goede staat) hebben teruggegeven. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn het niet eens met [eiser]. Zij hebben uitgelegd dat zij alle spullen voorzichtig uit de woning hebben gehaald en hebben opgeslagen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verder uitgelegd dat zij alle spullen die zij van [eiser] konden vinden hebben teruggegeven. Toen [eiser] zei dat zij daarna nog steeds spullen miste, hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot drie keer toe naar spullen van [eiser] gezocht in hun opslag. Zo zijn er nog een paar ontbrekende spullen teruggevonden, zo hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uitgelegd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zelfs meer spullen aangeleverd dan door [eiser] is gevraagd. Verder hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een WhatsAppbericht van [naam] laten zien, over de spullen in de woning. In dat bericht zegt [naam] dat alle spullen van hem zijn.
5.9.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Gelet op het tijdsverloop nadat [eiser] de woning had verlaten, de uitleg van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over hun handelwijze en het WhatsAppbericht van [naam], was het aan [eiser] om te onderbouwen op basis waarvan zij meent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de ontbrekende spullen hebben kwijtgemaakt. Dat heeft [eiser] niet voldoende gedaan. Gebleken is dat [eiser] na het einde van haar relatie met [naam] nog spullen in de woning had staan. Uit de producties bij de dagvaarding blijkt ook dat familieleden van [eiser] hebben geprobeerd de spullen op te halen bij [naam]. Dat is niet gelukt, waardoor er nog spullen in de woning stonden nadat [naam] de huurovereenkomst met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft beëindigd en de woning heeft verlaten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gemotiveerd toegelicht dat alle eigendommen van [eiser] die daarna nog in de woning stonden, inmiddels aan haar zijn afgegeven. De kantonrechter kan niet feitelijk vaststellen dat de spullen waarvoor [eiser] nu schadevergoeding vordert nog in de woning stonden op het moment dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning ontruimden. In de periode tussen augustus 2024 en 26 oktober 2024 had namelijk alleen [naam] als huurder toegang tot de woning, waardoor het ook mogelijk is dat [naam] zelf nog spullen heeft meegenomen. In antwoord op vragen hierover heeft [eiser] op de zitting gezegd dat zij ook niet met honderd procent zekerheid kan zeggen dat niet [gedaagde 1] en [gedaagde 2], maar [naam] de ontbrekende spullen heeft meegenomen. Gelet op dit alles heeft [eiser] haar vordering onvoldoende feitelijk onderbouwd, zodat de kantonrechter niet kan vaststellen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de spullen hebben kwijtgemaakt of meegenomen. Voor zover de door [eiser] gevraagde schadevergoeding ziet op ontbrekende spullen, wijst de kantonrechter de vordering daarom af.
5.10.
Over de schadevergoeding voor de beschadigde kast en het bed oordeelt de kantonrechter als volgt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben uitgelegd dat zij de spullen met de grootste voorzichtigheid uit de woning hebben gehaald, en dat zij de spullen ter bescherming in plastic hebben gewikkeld. Ook hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verteld dat de schoenenkast die volgens [eiser] bij het leeghalen van de woning beschadigd is, bijna uit elkaar viel toen ze die in de woning tegenkwamen. Gezien die uitleg had [eiser] verder moeten toelichten dat de beschadigingen er niet al waren toen ze nog in de woning stonden, maar tijdens de ontruiming door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn ontstaan. Dit had [eiser] bijvoorbeeld kunnen doen door aan te tonen dat zij het bed, zoals ze op de zitting heeft verteld, kort voor het leeghalen van de woning had gekocht. Of met een foto van de schoenenkast, waarop te zien is dat die kast in goede staat was. Dat heeft [eiser] niet gedaan. Ook voor de schadevergoeding voor de beschadigde spullen geldt daarom dat [eiser] haar vordering niet voldoende heeft onderbouwd. Daarbij weegt ook voor dit deel van de vordering mee dat [eiser] zelf voor het laatst in augustus 2024 in de woning is geweest en [gedaagde 1] en Uçarpas eind oktober 2024 de beschikking kregen over de woning. Niet duidelijk is wat de staat van de spullen was in die tussenliggende periode. De kantonrechter kan op basis van de stellingen van [eiser] niet vaststellen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de schade hebben veroorzaakt. Ook dit deel van de vordering wijst de kantonrechter daarom af.
Conclusie
5.11.
De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] af.
De proceskosten
5.12.
[eiser] heeft ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
632,50
5.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026. (wv)