Eiser en gedaagde sloten een mondelinge overeenkomst over het laten dekken van een merrie door een hengst en de verdeling van kosten en opbrengsten van het veulen. Na de geboorte ontstond onenigheid over het verkoopproces, waarna gedaagde het veulen meenam naar een onbekende locatie en niet verkocht heeft.
Eiser vordert schadevergoeding wegens vermeende tekortkoming van gedaagde, die volgens eiser de verkoop van het veulen belemmert. Gedaagde voert verweer dat zij niet in verzuim is omdat eiser haar nooit schriftelijk in gebreke heeft gesteld en dat eiser afstand heeft gedaan van haar rechten.
De kantonrechter oordeelt dat nakoming van de overeenkomst nog mogelijk is en dat eiser geen ingebrekestelling heeft gedaan, waardoor gedaagde niet in verzuim is. Hierdoor is de vordering tot schadevergoeding niet toewijsbaar. De kantonrechter ziet geen reden om inhoudelijk te oordelen over de vermeende tekortkoming en wijst de vordering af.
Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde, begroot op €595, met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. Het vonnis is gewezen door mr. N.P. Heisterkamp en op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.