De curator van het faillissement van Vicontra B.V. startte een procedure tegen voormalig bestuurders wegens onbehoorlijke taakvervulling die heeft geleid tot een boedeltekort. De bestuurders [partij A 3] en [partij A 4] vorderden in een incident om de andere bestuurders [partij A 1] en [partij A 2] in vrijwaring op te roepen, stellende dat deze laatste groep verantwoordelijk is voor het faillissement en hen vrijwaart.
De curator voerde verweren aan tegen deze oproeping, onder meer dat de wet voldoende mogelijkheden biedt om zich in de hoofdzaak te disculperen en dat de vrijwaringsprocedure de hoofdzaak onredelijk zou vertragen, mede vanwege een betwiste handtekening onder een vaststellingsovereenkomst.
De rechtbank oordeelde dat de vordering tot vrijwaring toewijsbaar is indien concreet wordt gesteld dat een verhaalsrecht kan bestaan, ook als de rechtsverhouding nog niet vaststaat. De rechtbank vond dat de bestuurders voldoende feiten hadden aangevoerd om een mogelijke regresvordering te onderbouwen en verwierp het verweer dat een vrijwaringsprocedure niet nodig zou zijn.
De rechtbank gaf aan dat gezamenlijke behandeling van hoofdzaak en vrijwaring de voorkeur heeft om vertraging en tegenstrijdige uitspraken te voorkomen. De vordering tot oproeping in vrijwaring werd daarom toegewezen, met compensatie van proceskosten dat partijen hun eigen kosten dragen. De hoofdzaak blijft aangehouden met een rolzitting gepland voor 1 april 2026.