ECLI:NL:RBOVE:2026:899

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
ZWO_26_370_vovo
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.23 Wet basisregistratie personenArt. 6:20 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering briefadres en toekenning voorlopige voorziening wegens medische noodsituatie en remigratie

Verzoekers, Nederlandse staatsburgers die na langdurig verblijf in Duitsland hun verblijfsrecht verloren, vroegen het college van Enschede om een briefadres vanwege een medische noodsituatie en verplichte remigratie naar Nederland.

Na het uitblijven van een beslissing en een afwijzend besluit van het college, stelde verzoekers beroep in bij de rechtbank. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college ten onrechte het verzoek om een briefadres had geweigerd, omdat verzoekers aantoonbaar in Nederland gaan verblijven en aan de voorwaarden voor een briefadres voldoen.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het college binnen twee weken opnieuw moet beslissen, waarbij in afwachting daarvan een briefadres moet worden verstrekt. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het beroep inmiddels ontvankelijk was geworden door het genomen besluit.

De uitspraak benadrukt het belang van een briefadres voor toegang tot medische zorg en inschrijving in de basisregistratie personen, zeker gezien de kwetsbare gezondheid van verzoekers en het ontbreken van woonruimte of familie in Nederland.

Uitkomst: Het college moet het besluit tot weigering van een briefadres vernietigen en verzoekers zo spoedig mogelijk een briefadres verstrekken.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/370
uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit [woonplaats] (Duitsland), [verzoekers]/verzoekers,

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de (fictieve) weigering van het college om aan [verzoekers] een briefadres te verstrekken.
1.1
Op 25 januari 2026 heeft [verzoekers] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen in verband met het uitblijven van een beslissing op een verzoek om een briefadres in Nederland. Het briefadres is nodig vanwege een medische noodsituatie in verband met verplichte remigratie naar Nederland. Op 9 februari 2026 heeft [verzoekers] bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om een briefadres. Het college heeft de aanvraag om een briefadres bij besluit van 13 februari 2026 afgewezen. Omdat het besluit niet aan het beroep tegemoet komt heeft het aanhangige beroep mede betrekking op het alsnog genomen besluit. [1]
1.2
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van het briefadres ten onrechte heeft geweigerd. [verzoekers] krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Het college zal opnieuw op de aanvraag moeten beslissen en in afwachting van een nieuwe beslissing op de aanvraag dient een briefadres te worden toegekend. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om voorlopige voorziening af.

Inleiding: feiten en procesverloop

2.1
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn afkomstig uit Kosovo en beschikken over de Nederlandse nationaliteit. Na verblijf van zo’n dertig jaar in Zuid-Limburg (onder andere in [plaats 1]) zijn zij geëmigreerd naar Duitsland waar [verzoeker 1] heeft gewerkt in de transportwereld. Na faillissement van zijn werkgever ontving [verzoeker 1] achtereenvolgens een werkloosheidsuitkering en een bijstandsuitkering. Verzoekers wonen zelfstandig in [woonplaats] en ontvangen mantelzorg van hun zoons, die in hetzelfde complex woonachtig zijn.
2.2
In mei/juni 2025 is bij [verzoeker 1] longkanker geconstateerd waarvoor hij met (driewekelijkse) immunotherapie wordt behandeld. De ziekte bevindt zich inmiddels in een vergevorderd stadium (stadium IV). [verzoeker 2] lijdt aan hartfalen waarvoor zij dagelijks diverse soorten medicatie gebruikt.
2.3
Verzoekers hebben hun verblijfsrecht als EU-burger in Duitsland verloren omdat zij niet meer aan de voorwaarden voldoen. Bij vonnis van het Socialgericht Oldenburg van 26 november 2025 is bepaald dat de Duitse zorgverzekering en de verstrekte financiële bijstand op 31 januari 2026 eindigt.
2.4
Op 8 januari 2026 heeft [verzoekers] het college gevraagd hen een briefadres te verstrekken.
2.5
Bij brief van 21 januari 2026 heeft [verzoekers] het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag.
2.6
Op 25 januari 2026 heeft [verzoekers] de voorzieningenrechter verzocht het college bij wijze van voorlopige voorziening te gelasten hen per 1 februari 2026 in te schrijven op een briefadres.
2.7
De op 29 januari 2026 geplande zitting van de voorzieningenrechter is vanwege slechte weersomstandigheden niet doorgegaan.
2.8
Op 9 februari 2026 heeft [verzoekers] bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om een briefadres.
2.9
Met het besluit van 13 februari 2026 heeft het college het verzoek om een briefadres afgewezen. Volgens het college is gebleken dat verzoekers geen objectieve en verifieerbare gegevens hebben overgelegd waaruit blijkt dat zij feitelijk in Nederland verblijven of gaan verblijven.
2.1
Omdat het besluit niet aan het beroep tegemoet komt, heeft het aanhangige beroep mede betrekking op het alsnog genomen besluit.
2.11
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 februari 2026 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van verzoekers en namens het college [naam 1], [naam 2] en [naam 3].

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Griffierecht
3.1
[verzoekers] heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht voor het griffierecht en dat onderbouwd. De voorzieningenrechter wijst dat beroep toe. Dat betekent dat zijn verzoek nu inhoudelijk kan worden behandeld.
Het beroep niet tijdig
3.2
Omdat het college inmiddels een besluit heeft genomen op de aanvraag heeft [verzoekers] geen belang meer bij een oordeel over het niet tijdig nemen van een besluit door het college. Het beroep van [verzoekers] tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk.
Spoedeisend belang en tevens uitspraak op het beroep (kortsluiten)
3.3
Uit de geschetste feiten en omstandigheden blijkt voldoende dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij een snelle beoordeling van hun verzoek. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdrage aan de beoordeling van de zaak en ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meteen op het beroep van [verzoekers] te beslissen (ook wel ‘kortsluiten’ genoemd).
Gronden
3.4
Omdat verzoekers geen verblijfsrecht meer hebben in Duitsland en beschikken over de Nederlandse nationaliteit (als enige nationaliteit) zullen zij naar Nederland moeten remigreren. Zij hebben evenwel geen huisvesting in Nederland en vanwege de huidige huurdersmarkt zal het veel tijd en moeite kosten om een woning te vinden. Ook hebben zij geen familie of vrienden in Enschede, dus ook geen mogelijkheden om bij iemand in te wonen. Verzoekers hebben zich al wel ingeschreven bij woningbouwverenigingen in Enschede en Emmen.
Voor het huren van een vakantiewoning voor een langere periode hebben verzoekers en hun zoons onvoldoende financiële middelen. Verblijf in de daklozenopvang is geen mogelijkheid vanwege de slechte gezondheidstoestand van verzoekers.
Beide verzoekers hebben een(zeer) broze gezondheid en zijn afhankelijk van therapie en medicatie en ook van de zorg die hun in [woonplaats] wonende zoons kunnen verlenen. Vanwege hun slechte gezondheid is het noodzakelijk dat zij verzekerd zijn tegen ziektekosten. Dat is slechts mogelijk als ze middelen van bestaan hebben (in hun geval een uitkering) en staan ingeschreven in de Nederlandse basisregistratie personen (Brp).
Zonder een verblijfadres kunnen zij niet ingeschreven worden in de Brp tenzij dat kan door middel van een briefadres.

Beoordeling

3.5
Anders dan het college ten tijde van de besluitvorming, is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de onderliggende stukken en vooral ook uit het behandelde ter zitting voldoende blijkt dat verzoekers in Nederland gaan verblijven. Zij hebben geen verblijfsrecht meer in Duitsland en moeten om in aanmerking te komen voor urgente medische zorg immers remigreren naar Nederland. Verzoekers hebben al stappen gezet om voor huisvesting in aanmerking te komen. Zolang verzoekers nog geen woonadres hebben zijn zij echter aangewezen op een briefadres. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers zich bereid verklaard om, indien het college het gemeentehuis als briefadres voor verzoekers aanmerkt, wekelijks naar Enschede af te reizen om de post voor zijn ouders af te halen, wat als voorwaarde geldt voor het verstrekken van een briefadres.
3.6
Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Verzoekers hebben in voldoende mate aangetoond dat zij zo snel als dat mogelijk is in Nederland gaan wonen. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden die gelden om een briefadres van het college te krijgen als bedoeld in (artikel 2.23 van) de Wet basisregistratie personen.

Conclusie en gevolgen

4.1
Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.
Namens het college is ter zitting aangegeven dat een briefadres voor verzoekers op het gemeentehuis in Enschede bij wijze van spreken morgen geregeld kan zijn.
De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het college aan verzoekers zo spoedig mogelijk een briefadres verstrekt. Deze voorlopige voorziening vervalt als het college een nieuw besluit op de aanvraag heeft genomen.
4.2
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

 verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
 verklaart het beroep tegen het besluit van 13 februari 2026 gegrond en vernietigt dat besluit;
 bepaalt dat het college zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen twee weken na bekendmaking van deze uitspraak, wederom op de aanvraag van verzoekers om een briefadres moet beslissen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen;
 bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening dat het college aan verzoekers zo spoedig mogelijk een briefadres verstrekt. Deze voorlopige voorziening vervalt zodra het college een beslissing heeft genomen op de aanvraag om een briefadres en dat besluit heeft bekendgemaakt.
 wijst het verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.
uitgesproken in het openbaar op
griffier
de voorzieningenrechter is buiten staat de uitspraak te tekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 6:20, derde lid, van de Awb