5.3De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft op 28 april 2024 haar zoon [slachtoffer] meerdere keren met een mes in zijn lichaam gestoken. Zij heeft daarmee het leven van [slachtoffer] in gevaar gebracht, zijn lichamelijke integriteit ernstig geschonden en angst en paniek bij hem veroorzaakt.
Als gevolg van het steekincident heeft [slachtoffer] verwondingen opgelopen en ondervindt hij soms nog steeds lichamelijke klachten, waaronder vlekken in zijn gezichtsveld. Daarnaast heeft het handelen van verdachte diepe psychische sporen bij hem achtergelaten. Tijdens het uitoefenen van het spreekrecht heeft [slachtoffer] naar voren gebracht dat de gebeurtenis op 28 april 2024 zijn leven ingrijpend heeft veranderd. Zijn gevoel van veiligheid is aangetast en het vertrouwen dat hij in zijn moeder had, is geschonden. Na het incident moest [slachtoffer] ergens anders gaan wonen, omdat hij niet langer bij zijn moeder kon verblijven. Hij heeft sindsdien geen contact meer met haar gehad. Het doet hem pijn dat dit contact op deze wijze is beëindigd, ondanks de moeizame onderlinge relatie. Dit maakt dat hij somber naar de toekomst kijkt, aangezien zijn moeder daarin naar verwachting geen actieve rol meer zal spelen als gevolg van de ingrijpende gebeurtenis op 28 april 2024. Het opgelopen litteken in zijn gezicht vormt voor [slachtoffer] bovendien een voortdurende herinnering hieraan.
Hoewel tijdens de zitting voor de rechtbank zichtbaar was dat de situatie verdachte veel verdriet doet, verandert dit niets aan de ernst van haar handelen en de impact daarvan op haar zoon.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het gepleegde feit, de gevolgen daarvan voor [slachtoffer] alsmede de maatschappelijke onrust die door het feit is veroorzaakt, in beginsel maken dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank acht een dergelijke straf in deze zaak echter niet passend. De rechtbank zal hierna nader op deze afweging ingaan.
Persoon van verdachte
- Justitiële Documentatie
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 17 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
- Rapportages
De rechtbank heeft gelet op de rapportage van de psycholoog van 13 december 2024. Hieruit blijkt het volgende.
Verdachte is opgegroeid in een gezin met een dominante vader, waarin zij slachtoffer is geweest van geweld. Verdachte omschrijft zichzelf als een zorgzame en beschermende moeder, voor wie haar zoon [slachtoffer] altijd centraal heeft gestaan. Vanaf de puberteit van [slachtoffer] ontstonden er echter geleidelijk problemen, zoals toenemende irritaties, dreigementen en agressief gedrag. Verdachte verloor uiteindelijk de grip op hem en er ontstond een conflictueuze en gewelddadige relatie, waarbij ook Veilig Thuis in beeld is gekomen. Bij verdachte werd door verschillende instanties een toenemend depressief beeld waargenomen, evenals angst- en paniekaanvallen en mogelijk waanachtige gedachten in relatie tot het contact met haar zoon.
De psycholoog heeft gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van een depressieve stoornis met angstige spanning, hechtingsproblematiek en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Verder zijn ook kenmerken van een autismespectrumstoornis aanwezig. De voornoemde stoornissen waren aanwezig tijdens het plegen van het feit waardoor verdachte haar wil verminderd kon bepalen. De deskundige adviseert om die reden het feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank deelt de conclusie van de deskundige over de verminderde toerekenbaarheid en neemt deze over.
Uit de rapportage volgt verder dat het recidiverisico op gewelddadig gedrag als laag tot matig wordt ingeschat, nu verdachte momenteel geen contact heeft met [slachtoffer] . Haar kwetsbaarheid ligt in een disfunctionele persoonlijkheidsdynamiek, waarbij zij negatieve gevoelens opkropt, onvoldoende copingmechanismen heeft, instabiel is en beperkt reageert op geboden hulp. Verdachte volgde op het moment van het schrijven van het rapport een ambulante behandeling bij Transfore. Deze behandeling was onder meer gericht op het verminderen van risicofactoren, het versterken van de identiteitsontwikkeling en hanteringsvaardigheden (coping) alsmede traumaverwerking. De deskundige achtte het van belang dat verdachte deze lopende behandeling zou voortzetten, om het verwachte recidiverisico te beperken.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van 30 april 2025, waaruit blijkt dat de ambulante behandeling bij Transfore, die in juli 2024 is gestart, goed is verlopen. Verdachte toonde een open, gemotiveerde en meewerkende houding en volgde wekelijks behandeling. Op de zitting is naar voren gekomen dat verdachte deze behandeling inmiddels positief heeft afgerond. De reclassering heeft bij verdachte meerdere beschermende factoren gesignaleerd, waaronder een stabiele huisvestingssituatie, een zinvolle daginvulling, een gezonde financiële situatie en een steunend sociaal netwerk. Verder is bij verdachte sprake van een prosociale houding en is zij responsief ten aanzien van gedragsinterventies. De reclassering heeft destijds geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden (meldplicht, ambulante behandeling bij Transfore en een contactverbod met [slachtoffer] ) op te leggen.
De rechtbank houdt er bij het opleggen van de straf rekening mee dat het strafbare feit heeft plaatsgevonden binnen de context van een jarenlang aanhoudende, complexe en gewelddadige relatie tussen verdachte en [slachtoffer] . Verdachte heeft in de periode daarna intensief aan zichzelf gewerkt door behandeling te volgen, die zij inmiddels positief heeft afgerond. Verder speelt mee dat het feit ruim anderhalf jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat de kans op herhaling klein wordt geacht, nu er geen contact is tussen verdachte en [slachtoffer] . Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft naar verwachting een zeer nadelige invloed op het leven van verdachte, met een verdere verslechtering van haar psychische gesteldheid tot gevolg, waarbij de aanwezige beschermende factoren eveneens zouden wegvallen. De rechtbank acht dit niet wenselijk en ziet daarom in deze zaak af van het opleggen van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan het voorarrest.
In overeenstemming met het standpunt van de officier van justitie acht de rechtbank het passend en geboden om, naast een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden met een proeftijd van drie jaren op te leggen. Gelet op de ernst van het feit legt de rechtbank daarnaast aan verdachte de maximale taakstraf van 240 uren op. De rechtbank verbindt aan voormelde proeftijd enkel de meldplicht als bijzondere voorwaarde, omdat zij voor het opleggen van een ambulante behandeling en een contactverbod geen aanleiding en noodzaak meer ziet.
De rechtbank zal het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.