ECLI:NL:RBOVE:2026:93

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
ak_25_360
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:12 APV 2019Art. 2:12 APV 2023Art. 2:2 WaboArt. 2:18 WaboArt. 1:8 APV 2023
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen verlening omgevingsvergunning voor maken uitweg in Twenterand

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van meerdere eisers tegen de door het college van burgemeester en wethouders van Twenterand verleende omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg op een perceel in Twenterand. De eisers voerden diverse beroepsgronden aan, waaronder bezwaren tegen verkeersveiligheid en aantasting van openbaar groen.

De rechtbank heeft het toetsingskader van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 2019 en 2023 toegepast, waarbij is vastgesteld dat het college gebonden is aan een limitatief stelsel van weigeringsgronden. De rechtbank concludeert dat geen van de limitatieve weigeringsgronden zich voordoet, mede gelet op de adviezen van verkeers- en groendeskundigen van het college.

De rechtbank oordeelt dat het college de aanvraag op juiste wijze heeft beoordeeld en dat de vergunning terecht is verleend. Daarnaast is een motiveringsgebrek wegens het ontbreken van een verslag van de hoorzitting gepasseerd omdat eisers niet in hun belangen zijn geschaad. Ook het beroep op een vaststellingsovereenkomst tot mediation is niet relevant voor de vergunningverlening.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter Cornelissen en griffier Lever op 13 januari 2026 te Zwolle.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/360

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1], [eiser 2], [eiser 3],

[manege] B.V., en
[Bungelowpark], uit [vestigingsplaats], eisers,
(gemachtigde: mr. J.T. Fuller)
en

het college van burgemeester en wethouders van Twenterand,

verweerder (hierna: het college).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], h.o.d.n.
[bedrijf], uit [vestigingsplaats].
(gemachtigde: J.H. Nijland)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan [bedrijf] verleende omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg op het perceel [adres 1] in [vestigingsplaats] (hierna: [adres 1]). Eisers zijn het niet eens met deze verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende vergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van de omgevingsvergunning op de juiste wijze heeft beoordeeld en dat de vergunning terecht is verleend. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
1.2.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [bedrijf] heeft op 1 november 2023 een meldingsformulier - voor het maken van een uitweg op [adres 1] - ingediend bij het college. Deze melding is met het besluit van 11 december 2023 geaccepteerd. Vanaf 30 december 2023 geldt deze geaccepteerde melding als een verleende omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg op [adres 1]. Met het bestreden besluit van 11 december 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij het verlenen van deze omgevingsvergunning gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij hebben bij de gronden van beroep een advies van BVA verkeersadviezen (hierna: BVA) van 13 maart 2025 ingebracht. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift met verwijzing naar een memo van 10 april 2025 van zijn eigen verkeersdeskundige. [bedrijf] heeft schriftelijk gereageerd. Eisers hebben nadere beroepsgronden en nadere stukken, waaronder een reactie van BVA van 9 oktober 2025 op de memo van verweerder, in het geding gebracht. Het college heeft een aanvullend verweerschrift met een memo van 21 oktober 2025 in reactie op de reactie van BVA ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2025 op zitting behandeld. Namens eisers zijn [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd. Eisers hebben zich ter zitting laten bijstaan door [naam 1], werkzaam bij BVA. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en [naam 3]. [bedrijf] heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3. [bedrijf] exploiteert een recreatiecentrum op [adres 1]. Er worden zowel indoor-activiteiten als buitenactiviteiten georganiseerd met name voor groepen. [manege] is gevestigd op perceel [adres 2] (hierna: [adres 2]). Op [adres 2] bevindt zich ook de bedrijfswoning van [eiser 1]. en [eiser 3] en [eiser 2].
[Bungelowpark] is gevestigd op perceel [adres 3] (hierna: [adres 3]).
De vergunde uitweg op [adres 1] (tegenover de uitweg op [adres 3]) is ondertussen gerealiseerd. De reeds bestaande uitweg op [adres 1] (tegenover [adres 2]) is ondertussen verwijderd.
Wettelijk kader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 1 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4.1.
Tot en met 29 december 2023 gold het navolgende beoordelingskader voor het maken van een uitweg.
In artikel 2.12, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Twenterand 2019 (hierna: APV 2019) staat dat het verboden is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als:
a. Daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of
b. (…).
In het tweede lid van dit artikel staat dat het college het maken of veranderen van de uitweg verbiedt als: a. t/m e. (…).
4.2.
Vanaf 30 december 2023 geldt het navolgende beoordelingskader voor het maken van een uitweg.
In artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo staat, voor zover hier van belang, dat voor zover ingevolge een gemeentelijke verordening een vergunning is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen, een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project (voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteit bestaat) uit te voeren zonder omgevingsvergunning.
In artikel 2.18 van de Wabo staat dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.
Deze betrokken verordening is de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Twenterand 2023 (hierna: APV 2023).
In artikel 2:12, eerste lid, van de APV 2023 staat dat het verboden is zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
In artikel 1:8, eerste lid, van de APV 2023 staat, voor zover hier van belang, dat de vergunning door het bevoegde bestuursorgaan kan worden geweigerd in het belang van:
a. de openbare orde.
b. de openbare veiligheid.
c. de volksgezondheid.
d. de bescherming van het milieu.
In artikel 2:12, tweede lid, van de APV 2023 staat dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning slechts wordt geweigerd:
a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
4.3.
Artikel 6:5 van Pro de APV 2023 bevat de overgangsbepaling. Hierin staat, samengevat weergegeven, dat besluiten genomen op grond van de APV 2019, die golden op het moment van de inwerkingtreding van de APV 2023 en waarvoor de APV 2023 overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens de APV 2023.
4.4.
Ter zitting hebben eiseres en verweerder bevestigd dat het toetsingskader voor de melding van het maken van een uitweg en de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg hetzelfde is.
Besluitvorming
5. Op 1 november 2023 heeft [bedrijf] een melding - op grond van artikel 2:12, eerste lid, van de op dat moment geldende APV 2019 - gedaan bij verweerder met betrekking tot het aanleggen van een uitweg op [adres 1]. Volgens de toelichting in de aanvraag is deze gedaan ter voldoening aan een voorwaardelijke verplichting, opgenomen in het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied Twenterand PH [adres 1], [adres 4] en [adres 5]” (hierna: bestemmingsplan buitengebied PH), dat (de reeds aanwezige) inrit moet worden verplaatst.
De aanvraag voorziet in het realiseren van een uitweg (in- en uitrit) op [adres 1] met een breedte van 6 meter. Deze uitweg is gesitueerd recht tegenover de bestaande uitweg op [adres 3]. Hierdoor ontstaat op die locatie een kruising. De huidige, reeds aanwezige, uitweg (in- en uitrit) op [adres 1] is gelegen tegenover de bedrijfswoning op [adres 2], en deze zal worden verwijderd. Ter plaatse van de te verwijderen uitweg wordt 16 meter nieuwe begroeiing in de groenstrook aangeplant.
5.1.
Met het primaire besluit van 11 december 2023 heeft het college deze melding geaccepteerd. Hierin is aangegeven dat de limitatieve weigeringsgronden, neergelegd in artikel 2:12, tweede lid, van de APV 2019, zich niet voordoen.
Op grond van artikel 6.5 van de op 30 december 2023 in werking getreden APV 2023, geldt deze geaccepteerde melding vanaf die datum als een verleende omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg op [adres 1].
5.2.
Tegen het primaire besluit hebben, onder anderen, eisers bezwaar gemaakt.
5.3.
Met het bestreden besluit van 11 december 2024 heeft het college de verleende omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg op [adres 1] gehandhaafd. Onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie heeft het college zich, samengevat weergegeven, op de navolgende standpunten gesteld.
- De heroverweging in bezwaar moet plaatsvinden aan de hand van artikel 2.12 van de APV 2023. Het bestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van het toetsingskader, neergelegd in dat artikel.
- De weigeringsgrond, neergelegd in artikel 2.12, tweede lid, onder a, van de APV 2023 (gevaar voor het verkeer op de weg) is niet van toepassing. Ter onderbouwing is aangevoerd dat de kruising op een plateau is aangelegd waardoor de verkeerssnelheid wordt verminderd, deze snelheid verminderende maatregel niet zorgt voor een verhoogd risico voor de kinderen in de speeltuin (die bovendien is afgezet met een hek) en de huidige kruising is op voldoende afstand gesitueerd om geen geluidshinder te veroorzaken.
- Het aantal in-uitrit situaties ter hoogte van [adres 2] tot en met [adres 1] is met 1 verminderd.
Toetsingskader
6. Het in artikel 2:12, tweede lid, van de APV 2023 neergelegde stelsel voor de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg betreft een zogenoemd limitatief-imperatief stelsel. Dat houdt in dat dwingend is voorgeschreven dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd (‘slechts wordt geweigerd’) indien één of meer van de in dat artikel genoemde weigeringsgronden zich voordoet/voordoen en dat de vergunning moet worden verleend indien geen van die weigeringsgronden zich voordoen. Er is dus sprake van een gebonden beschikking. Dit betekent dat voor een afweging van belangen in zoverre geen ruimte is. Het college heeft dus geen beleidsruimte. De rechtbank verwijst als voorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1239, overweging 9.4, waar een soortgelijke dwingende bepaling (‘het college verbiedt’) aan de orde was.
Bij de beoordeling of één of meerdere weigeringsgronden in een specifieke zaak al dan niet aan de orde zijn, heeft het college beoordelingsruimte. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1230, overweging 6.2.
Beoordeling van het beroep
Motiveringsgebrek (in de bezwaarfase) vanwege het ontbreken van een verslag van de hoorzitting?
7. Eisers stellen dat een verslag van de hoorzitting bij de bezwarencommissie ontbreekt. Dit is in strijd met artikelen 7:7 en 7:13, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat uit de beslissing op bezwaar ook mag blijken wat tijdens de hoorzitting is besproken, en dan is een afzonderlijk hoorzittingsverslag niet nodig. In deze zaak wordt hieraan niet voldaan. Wat er is gezegd tijdens de hoorzitting en welke punten daarvan de adviescommissie relevant acht, is uit het bestreden besluit niet af te leiden.
7.1.
Het college stelt in zijn verweerschrift dat er een geluidsopname van de hoorzitting is gemaakt en dat partijen deze hadden kunnen opvragen bij de secretaris van de commissie. Ter zitting heeft het college voorts aangegeven dat om een uitgewerkt verslag kan worden gevraagd. Deze mededeling wordt altijd gedaan bij aanvang van een hoorzitting. In deze zaak is niet gevraagd om de geluidsopname en ook is niet gevraagd om een uitgewerkt verslag. Eisers zijn ter zitting akkoord gegaan met de reactie van het college.
7.2.
Vaststaat dat in strijd met de artikelen 7:7 en 7:13, zesde lid, van de Awb een verslag van de hoorzitting ontbreekt. De rechtbank passeert de schending van dit voorschrift met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Eisers hebben ter zitting verklaard dat zij niet in hun belangen zijn geschaad en dat zij niet om een proceskostenveroordeling met betrekking tot deze beroepsgrond vragen.
Motiveringsgebrek (in de bezwaarfase) vanwege gebrekkige motivering in advies bezwarencommissie?
8. Eisers stellen dat de bespreking van de bezwaargronden door de bezwaren-commissie erg summier is. Een en ander is met enkele zinnen afgedaan. Het college had daarom in het bestreden besluit niet mogen volstaan met het enkel verwijzen naar het advies van de bezwarencommissie maar had hierin een afzonderlijke motivering moeten opnemen. Dit volgt uit artikel 3:49 van Pro de Awb.
8.1.
Het college stelt in zijn verweerschrift dat de motivering duidelijk is weergegeven in het advies van de bezwarencommissie, onder het kopje ‘Overwegingen en advies van de commissie’. Hij kon in het bestreden besluit dan ook volstaan met het verwijzen naar dit advies.
8.2.
De rechtbank overweegt hierover dat de motivering van de bezwarencommissie onder voornoemd kopje niet heel erg uitgebreid is, maar op alle bezwaargronden is wel inhoudelijk ingegaan en deze motivering is begrijpelijk. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Weigeringsgrond ex artikel 2:12, tweede lid, onder a, van de APV 2023 van toepassing?
9. Uit artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de APV 2023 volgt dat de gevraagde omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg moet worden geweigerd ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg,
9.1.
Partijen zijn verdeeld over de vraag of deze weigeringsgrond van toepassing is.
Eisers stellen dat deze weigeringsgrond wel van toepassing is. Het college weerspreekt deze stelling. Partijen hebben over en weer adviezen van verkeersdeskundigen overgelegd als vermeld in 2.1. van deze uitspraak.
9.2.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De verkeersdeskundige van eisers (BVA) meent dat aan een aantal aspecten geen dan wel onvoldoende aandacht is besteed. De toename van de verkeersbewegingen bij [bedrijf] met de daarmee gepaard gaande toename van (licht)hinder is onvoldoende in beeld gebracht in het bestemmingsplan, waarbij geen rekening is gehouden met piekmomenten. Het plateau op de kruising met de [straatnaam] is volgens de deskundige geen adequate maatregel om de verkeerssnelheid te verlagen. Voorts nemen de gevolgen voor de speeltuin op [adres 3] toe.
De verkeersdeskundige van het college is uitvoerig ingegaan op wat BVA aanvoert en wijst erop dat aspecten worden vermeld waaraan bij de besluitvorming niet wordt getoetst, zoals hinder van autolichten en geluidshinder van de auto’s. De beoogde uitbreiding van de activiteiten van [bedrijf] ligt voor in het bestemmingsplan buitengebied PH, waarover wordt geprocedeerd bij de Afdeling.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omgevingsvergunning voor het maken van de uitweg niet moet worden geweigerd ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg. Partijen verschillen niet van mening dat de [straatnaam] met inbegrip van het plateau ter hoogte van [adres 3] voldoet aan de gebruikelijke eisen voor een 60 km/u weg in het buitengebied, wat er ook zij van het verkeersgedrag ter plaatse. Aspecten zoals licht- en geluidhinder van auto’s passen niet in het toetsingskader voor de aangevraagde omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg. De speeltuin op [adres 3] behoort niet tot de openbare weg, ook al niet omdat deze met hekken is afgesloten van de [straatnaam]. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan is geen weigeringsgrond in artikel 2:12 van Pro de APV 2023. De gevolgen van de uitbreiding van de activiteiten van [bedrijf] horen dan ook niet thuis in dit toetsingskader. Die gevolgen worden beoordeeld door de Afdeling in het kader van het bestemmingsplan buitengebied PH bestemmingsplan. De rechtbank wijst er nog wel op dat dit bestemmingsplan ter plaatse niet onherroepelijk is maar wel in werking is getreden met inbegrip van de tekst waar het meldingsformulier naar verwijst. Het college mocht zich verlaten op de adviezen van zijn verkeersdeskundige.
Weigeringsgrond ex artikel 2:12, tweede lid, onder c, van de APV 2023 in geschil?
10. Uit artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder c, van de APV 2023 volgt dat de gevraagde omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg moet worden geweigerd
als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat deze weigeringsgrond door eisers niet is genoemd in hun beroepsgronden en dat ook BVA in zijn rapportage van 13 maart 2025 dit niet naar voren brengt.
10.2.
De rechtbank constateert dat in de memo van 10 april 2025 van de verkeers-deskundige van het college, bij de bespreking van de weigeringsgrond ex artikel 2:12, tweede lid, onder d, van de APV 2023, wordt aangevoerd dat het openbaar groen niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast door het maken van de uitweg op [adres 1], en waarom dit zo is. De rechtbank overweegt dat het criterium ‘op onaanvaardbare wijze wordt aangetast’ geen onderdeel is van de d-weigeringsgrond maar dat dit een afzonderlijke weigeringsgrond is, te weten de c-grond.
10.3.
De rechtbank stelt verder vast dat BVA in zijn rapportage van 9 oktober 2025, kopje ‘Aantasting beplanting en uitzicht’, op deze passage is aangeslagen en aanvoert dat geen analyse bekend is waaruit blijkt dat de aantasting acceptabel is en er geen strijd is met de voorwaarden uit de APV. Oftewel niet is aangetoond dat de c-weigeringsgrond niet van toepassing is.
10.4.
Eisers hebben ter zitting desgevraagd meegedeeld dat zij van mening zijn dat de c-weigeringsgrond van toepassing is. Het college blijft bij wat zijn deskundige in de memo van 10 april 2025 daarover heeft gesteld.
10.5.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Ter toetsing ligt niet voor of er een analyse is dat aantasting van openbaar groen door het maken van de uitweg acceptabel is maar de vraag of het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Uitleg waarom geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting is gegeven in de memo van 10 april 2025. De rechtbank weegt mee dat het college ter zitting onweersproken heeft verklaard dat zijn verkeers- en groendeskundigen de situatie ter plaatse hebben bekeken, terwijl BVA niet ter plekke is geweest.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omgevingsvergunning voor het maken van de uitweg niet moet worden geweigerd omdat het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Het college mocht vertrouwen op de adviezen van zijn deskundigen.
Weigeringsgrond ex artikel 2:12, tweede lid, onder d, van de APV 2023 in geschil?
11. Uit artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder d, van de APV 2023 volgt dat de gevraagde omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg moet worden geweigerd
als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
11.1.
De rechtbank stelt vast dat BVA in zijn rapportage van 13 maart 2025 op pagina 2, onderaan, ervan uitgaat dat de reeds aanwezige uitweg op [adres 1] wordt verwijderd, zodat deze weigeringsgrond niet van toepassing is. In de memo van 10 april 2025 van de verkeersdeskundige van het college is gesteld dat er geen sprake is van een tweede uitweg omdat de bestaande uitweg vervalt. In de reactie van BVA van 9 oktober 2025 is niet meer naar deze weigeringsgrond verwezen.
11.2.
Ter zitting hebben eisers desgevraagd meegedeeld dat zij van mening zijn dat deze weigeringsgrond wel van toepassing is.
11.3.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Uit het meldingsformulier met de bijbehorende situatietekening blijkt dat de bestaande in- en uitrit tegenover [adres 2] komt te vervallen. Er is in de vergunde situatie dus geen sprake van een tweede uitweg voor [adres 1]. Reeds daarom is deze weigeringsgrond niet van toepassing.
Vaststellingsovereenkomst tot mediation van toepassing op de voorliggende besluitvorming?
12. Eisers stellen dat het college gebonden is aan de tussen het college en meerdere partijen, waaronder [manege], gesloten vaststellingsovereenkomst tot mediation van 22 maart 2005. Ter zitting hebben eisers desgevraagd verklaard dat het college hun belangen kent. Zij willen rust en ruimte op het bungalowpark. De activiteiten van de manege en [bedrijf] bijten elkaar. Het college is gehouden om de belangen van eisers te betrekken bij het vergunnen van de gevraagde uitweg en had moeten oordelen: er is al een goede uitweg; het verschuiven van de uitweg is niet nodig.
12.1.
Het college voert aan dat de vaststellingsovereenkomst geldt tussen de partijen die deze overeenkomst hebben gesloten. Deze partijen zijn de gemeente Twenterand en een aantal maneges. [bedrijf] is geen partij in deze overeenkomst. De overeenkomst ziet enkel op gemaakte dan wel te maken afspraken over activiteiten van de betrokken maneges. Deze overeenkomst is geen grondslag voor het weigeren van een uitwegvergunning, die is aangevraagd door de eigenaar van een perceel dat in de nabijheid van een of meerdere van deze maneges ligt.
12.2.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Het standpunt van het college dat de bedoelde overeenkomst geen weigeringsgrond is voor een het verlenen van een uitwegvergunning is juist. De rechtbank begrijpt evenwel dat eisers zich bedoelen te beroepen op het evenredigheidsbeginsel, zoals dat is uitgelegd in de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190, overweging 8.2).
Zoals de rechtbank onder 6 heeft overwogen gaat het in deze zaak om een gebonden beschikking. De uitwegvergunning moet worden verleend als zich geen weigeringsgrond voordoet. In zoverre is er geen ruimte voor een afweging van belangen. Dat zich in dit geval geen weigeringsgrond voordoet volgt uit de overwegingen 9 t/m 11. Niettemin kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het voorliggende geval toepassing van het algemeen verbindende voorschrift (art. 2:12 APV Pro 2023) voor een of meer belanghebbenden zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat het bestuursorgaan uiteindelijk (“onder de streep”) nog wel moet beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift (art. 2:12 APV Pro 2023) in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden, maar daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid (de evenredigheid “stricto sensu”). Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is.
De rechtbank is van oordeel dat eisers geen bijzondere omstandigheden hebben aangevoerd die het college noopten om de uitwegvergunning te weigeren. De door eisers in algemene zin gestelde hinder van licht, geluid en activiteiten vanwege [bedrijf] kunnen niet als zodanig gelden.

Conclusie en gevolgen

13. Het college heeft de uitwegvergunning terecht verleend. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van 11 december 2024 in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E.M. Lever, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.