ECLI:NL:RBOVE:2026:955

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
ak_25_1327
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8.8 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdig beslissen op Woo-verzoek door college Overijssel

MOB diende op 10 februari 2025 een verzoek om informatie in bij het college van gedeputeerde staten van Overijssel op grond van de Wet open overheid (Woo). Omdat het college niet binnen de beslistermijn had beslist, stelde MOB het college op 11 april 2025 in gebreke en stelde vervolgens op 30 april 2025 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.

Op 12 juni 2025 nam het college alsnog een besluit waarin het verzoek niet in behandeling werd genomen, met het oog op een latere openbaarmaking via de wettelijk voorgeschreven procedure. MOB maakte hiertegen op 23 juli 2025 pro forma bezwaar, dat door het college op 12 september 2025 kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van tijdige bezwaargronden.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is omdat het college inmiddels heeft beslist en MOB tegen dat besluit een afzonderlijk bezwaar heeft ingediend. De rechtbank ziet geen grond om het beroep alsnog inhoudelijk te behandelen of door te sturen naar het college. Wel veroordeelt zij het college tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van MOB, omdat het beroep terecht was ingesteld tegen het uitblijven van een tijdige beslissing.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en het college is veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1327

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Coöperatie Mobilisation for the Environmenten
Stichting Mobilisation for the Environment,beiden gevestigd te Nijmegen,
hierna gezamenlijk genoemd: MOB
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel, het college

(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat MOB heeft ingediend op 30 april 2025 tegen het niet tijdig beslissen van het college op het door MOB op 10 februari 2025 ingediende verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (hierna: de Woo).
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van MOB niet-ontvankelijk is. Zij zal het beroep niet inhoudelijk behandelen als zijnde gericht tegen het alsnog genomen besluit van 12 juni 2025 omdat MOB tegen dit besluit afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt bij het college. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. MOB heeft op 30 april 2025 een Woo-verzoek bij het college ingediend, waarin zij heeft verzocht om alle lopende aanvragen te ontvangen die bij het college zijn ingediend onder de Wet natuurbescherming en waarbij het aspect stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden een rol speelt.
4. Omdat het college niet binnen de beslistermijn op het Woo-verzoek heeft beslist, heeft MOB het college per brief van 11 april 2025 in gebreke gesteld.
5. Op 30 april 2025 heeft MOB vervolgens beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar Woo-verzoek.
6. Het college heeft bij besluit van 12 juni 2025 alsnog beslist op het Woo-verzoek, inhoudende dat het verzoek niet in behandeling wordt genomen op grond van artikel 8.8 van de Woo omdat de documenten op een later moment alsnog openbaar zullen worden gemaakt via de wettelijk voorgeschreven procedure.
7. MOB heeft op 23 juli 2025 pro forma bezwaar gemaakt tegen het Woo-besluit van 12 juni 2025.
8. Bij uitspraak van 12 september 2025 heeft het college het door MOB gemaakte (pro forma) bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat niet tijdig bezwaargronden zijn ingediend.
9. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van MOB en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep niet tijdig beslissen
10. MOB heeft het college per brief van 11 april 2025 in gebreke gesteld in verband met het uitblijven van een besluit op haar Woo-verzoek. Op 30 april 2025 heeft MOB beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar Woo-verzoek.
11. Op 12 juni 2025 heeft het college alsnog beslist op het Woo-verzoek. Het doel van MOB met deze beroepsprocedure is daarmee bereikt. Het procesbelang van MOB bij een beslissing op haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daardoor weggevallen.
12. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Omdat het besluit genomen is na het instellen van het beroep moet het college wel de proceskosten aan MOB vergoeden.
Heeft het beroep betrekking op het alsnog genomen besluit?
13. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het beroep niet tijdig beslissen mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit van 12 juni 2025. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
14. De rechtbank heeft bij brief van 18 juni 2025 aan MOB verzocht om aan te geven of zij het eens is met het alsnog genomen besluit van 12 juni 2025.
15. MOB heeft op 23 september 2025 aan de rechtbank laten weten dat zij het niet eens is met het besluit van 12 juni 2025, maar dat zij daarom op 23 juli 2025 afzonderlijk bezwaar heeft ingesteld tegen dit besluit bij het college. MOB verzoekt de rechtbank daarbij om uitspraak te doen op het beroep niet tijdig beslissen en het college in de proceskosten te veroordelen.
16. Bij brief van 1 oktober 2025 verzoekt MOB de rechtbank om, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), het beroep niet tijdig beslissen alsnog inhoudelijk te behandelen, als zijnde gericht tegen het Woo-besluit van 12 juni 2025. Subsidiair verzoekt MOB de rechtbank om het beroep op grond van artikel 6:15 van Pro de Awb door te sturen naar het college ter behandeling als inhoudelijk bezwaar. [1]
17. De rechtbank ziet geen mogelijkheden om het beroep niet tijdig alsnog inhoudelijk te behandelen op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb of om het beroep op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb door te sturen naar het college om te behandelen als bezwaarschrift. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb strekt niet zover dat het beroep niet tijdig beslissen ook mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, indien de indiener van het beroep niet tijdig beslissen ook afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt tegen het alsnog genomen besluit. MOB heeft op 23 juli 2025 afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 juni 2025. Bij haar reactie op 23 september 2025 heeft zij dat de rechtbank ook laten weten. Zij heeft met het besluit op het bezwaar van 12 september 2025 een beslissing gekregen op dit bezwaar. Daarmee is de bezwaarprocedure omtrent het besluit van 12 juni 2025 afgerond. Dat MOB kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard door het college doet daaraan niets af. Omdat de bezwaarprocedure inmiddels is afgerond, ziet de rechtbank geen aanleiding het beroep niet tijdig door te sturen op grond van het vierde lid, van artikel 6:20 van Pro de Awb naar het college ter behandeling als zijnde een tweede (inhoudelijk) bezwaar, gericht tegen het besluit van 12 juni 2025).

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is niet-ontvankelijk. Het college moet wel het griffierecht aan MOB vergoeden omdat zij terecht beroep heeft ingesteld wegens het niet tijdig beslissen. MOB krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van MOB een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan MOB moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan MOB.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank leest hierin een beroep op artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, nu artikel 6:15 van Pro de Awb enkel ziet op het doorsturen van een bezwaar- of beroepschrift dat bij een onbevoegd bestuursorgaan, of onbevoegde rechter is ingediend.