ECLI:NL:RBOVE:2026:973

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
11736516 \ CV EXPL 25-1004
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:400 BWArt. 6:83 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling honorarium en schadevergoeding bij beëindiging boekhoudovereenkomst

Partij A voerde vanaf 2023 de boekhouding voor gedaagde. Gedaagde beëindigde de overeenkomst per 1 januari 2025 en schakelde een nieuwe boekhouder in. Partij A vorderde betaling van honorarium over 2024 en 2025 en meerwerk, terwijl gedaagde in reconventie schadevergoeding eiste wegens het niet overdragen van de administratie.

De kantonrechter oordeelde dat partij A recht heeft op het honorarium over 2024, omdat de meeste werkzaamheden waren verricht. De vordering voor honorarium over 2025 en meerwerk werd afgewezen, omdat de opzegtermijn niet was nageleefd en meerwerk onvoldoende was onderbouwd.

In reconventie werd vastgesteld dat partij A de administratie aan de opvolgend boekhouder had moeten overdragen, ook al was het werk niet afgerond. Door het achterhouden van de administratie leed gedaagde schade, waarvoor partij A aansprakelijk is. Het beroep op retentierecht door partij A werd verworpen. De kantonrechter veroordeelde partij A tot betaling van € 757,25 schadevergoeding aan gedaagde.

Beide partijen werden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en werd uitgesproken op 24 februari 2026.

Uitkomst: Partij A krijgt honorarium over 2024 toegewezen en moet schadevergoeding aan gedaagde betalen wegens niet-overdragen administratie.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11736516 \ CV EXPL 25-1004
Vonnis van 24 februari 2026
in de zaak van
[partij A], handelend onder de naam [bedrijf 1],
te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. S.J.M. Masselink,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf 2],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. M. Koelemeij.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9,
- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie met producties 1 tot en met 6,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 10 tot en met 13,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald en
- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

[partij A] heeft vanaf 2023 in opdracht van [gedaagde] de boekhouding gedaan voor [gedaagde].
Op 29 oktober 2024 heeft [gedaagde] [partij A] gemaild dat hij heeft besloten om per
1 januari 2025 over te stappen naar een andere boekhouder.
[partij A] vordert in conventie betaling door [gedaagde] aan hem van € 1.471,28 incl btw voor honorarium over 2024 en 2025 en voor meerwerk. [gedaagde] voert verweer en vordert in reconventie dat [partij A] € 1.098,50 aan hem betaalt voor het inboeken van administratie door de opvolgend boekhouder en wegens een onverschuldigde betaling.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] recht heeft op het gevorderde bedrag aan honorarium over 2024. Wat betreft het honorarium over 2025 en het meerwerk wordt de vordering van [partij A] afgewezen. In reconventie is het bedrag dat gevorderd is voor de werkzaamheden van de opvolgend boekhouder toewijsbaar.
Hierna wordt deze beslissing van de kantonrechter toegelicht.
3. De feiten
3.1.
In november 2022 zijn [partij A] en [gedaagde] overeengekomen dat [partij A] vanaf het boekjaar 2023 de boekhouding voor [gedaagde] zal doen. Partijen hebben daarbij het volgende afgesproken:
1. Inboeken incl controlewerk € 238,33
2. Btw aangifte € 60,00
3. Jaarrapport inclusief bespreking € 382,50
4. Aangifte inkomstenbelasting (incl fiscaal partner) € 76,50
Boekhoudpakket incl kijkfunctie (tablet/pc/telefoon) en
5. Facturatiemogelijkheid en bankkoppeling € 66,00
korting - € 23,33
Totaal pakketprijs exclusief btw € 800,00
3.2.
In de overeenkomst zijn partijen overeengekomen dat de werkzaamheden zonder opzegging van een van hen steeds aan het begin van het boekjaar met een jaar worden verlengd en dat opzegging steeds uiterlijk 3 maanden voor de aanvang van een nieuwe boekjaar dient te geschieden.
3.3.
Over meerwerk is in de overeenkomst tussen partijen afgesproken dat buitencontractuele werkzaamheden die plaatsvinden op verzoek van [gedaagde] door [partij A]
van tevoren worden aangegeven onder vermelding van een raming van de kosten.
3.4.
Op 29 oktober 2024 heeft [gedaagde] aan [partij A] gemaild dat hij heeft besloten om per 1 januari 2025 over te stappen naar een nieuwe boekhouder en dat [partij A] 2024 kan afronden.
3.5.
Op 22 januari 2025 heeft [partij A] bij factuur 3057 € 1.936,- inclusief btw bij [gedaagde] in rekening gebracht. Dit bedrag is opgebouwd als volgt:
- honorarium jaar 2024 € 800,-
- honorarium jaar 2025 ivm tussentijdse opzegging € 800,-
- btw 21% € 336,-
3.6.
Op 10 februari 2025 heeft [partij A] bij factuur 3062 € 35,28 inclusief btw bij [gedaagde] in rekening gebracht. Dit bedrag is opgebouwd als volgt:
- meerwerk: aantal inkoopfacturen 421 ipv maximum 200 € 263,96
- meerwerk:
aanlevering verkoop- en inkoopfacturen niet via boekhoudpakket € 198,00
verwijderen dubbele facturen
splitsen van facturen
- meerwerk: opvragen van facturen, navragen zakelijk/prive € 51,00
- opnieuw aanvragen van machtigingen € 24,00
- kosten boekhoudpakket 2025 € 92,20
- uit coulance credit op factuur 3057 mbt honorarium 2025 - € 600,00
subtotaal € 29,16
btw 21% € 6,12
3.7.
In februari 2025 heeft [gedaagde] € 500,- aan honorarium 2024 aan [partij A] betaald.
3.8.
Op 3 april 2025 is namens administratiekantoor Kubus om 12:59 uur naar [partij A] gemaild:

(…) [gedaagde] heeft de wens om 2024 en volgende jaren door Kubus te laten verzorgen.Zoals gebruikelijk binnen de administratie / accountancy wereld verzoek ik ook uw medewerking hier in.Graag ontvang ik de grootboekkaarten en kolommenbalans over 2024 en andere relevante stukken. (…).
3.9.
Op 3 april 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde] om 16:03 uur naar de gemachtigde van [partij A] gemaild dat [gedaagde] – onder de voorwaarde dat [partij A] binnen een termijn van tien werkdagen alle boekhoudgegevens aan de nieuwe boekhouder van [gedaagde] verstrekt – bereid is aanvullend € 300,- aan [partij A] te voldoen.
3.10.
Op 14 april 2025 heeft de gemachtigde van [partij A] een reactie van [partij A] op voornoemde e-mail van 3 april 2025 naar de gemachtigde van [gedaagde] gemaild. In deze reactie heeft [partij A] aan [gedaagde] laten weten dat het voorstel van [gedaagde] om aanvullend
€ 300,- te betalen (zie hiervoor onder 3.9) niet akkoord is.
4. Het geschil
4.1.
[partij A] vordert in conventie dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van:
I. € 1.471,28, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;
II. € 255,40 buitengerechtelijke kosten,
III. de kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke handelsrente.
4.2.
[gedaagde] concludeert in conventie tot niet-ontvankelijkheid van [partij A], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.
4.3.
[gedaagde] vordert in reconventie dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [partij A] veroordeelt tot betaling van € 1.098,50 en in de kosten van de procedure, beide vermeerderd met wettelijke rente.
4.4.
[partij A] concludeert in reconventie, uitvoerbaar bij voorraad, tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde], dan wel tot ontzegging van de vorderingen van [gedaagde], met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Overeenkomst van opdracht
5.1.
[partij A] en [gedaagde] zijn een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) met elkaar overeengekomen. Op basis van deze overeenkomst verricht [partij A] in opdracht van [gedaagde] tegen betaling de boekhouding van [gedaagde].
In conventie5.2. [partij A] legt aan de vordering in conventie ten grondslag dat [gedaagde] de bedragen op de hiervoor onder 3. vermelde facturen 3057 en 3062 niet aan hem heeft voldaan. Factuur 3057 heeft betrekking op het honorarium over 2024 en 2025. Met factuur 3062 is meerwerk in rekening gebracht.
[gedaagde] moet honorarium over 2024 aan [partij A] betalen
5.3.
[partij A] vordert € 468,- aan honorarium over 2024. Dit is de overeengekomen pakketprijs van € 800,-, vermeerderd met 21% btw en verminderd met het door [gedaagde] aan [partij A] reeds betaalde bedrag van € 500,-. [gedaagde] betwist dat hij het gevorderde bedrag aan [partij A] verschuldigd is. Hij voert aan dat [partij A] over 2024 enkel drie keer een btw-aangifte à € 60,- heeft gedaan en dat de overige werkzaamheden niet zijn uitgevoerd.
5.4.
De kantonrechter is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 468,- inclusief btw aan honorarium over 2024 toewijsbaar is. Over 2024 heeft [partij A] het merendeel van de overeengekomen werkzaamheden verricht. [partij A] heeft gesteld en [gedaagde] heeft niet weersproken dat [partij A] het inboeken inclusief controlewerk heeft afgerond en drie van de vier btw-aangiftes heeft opgesteld (3.1 onder 1 en 2.). Ook heeft [partij A] voor de facturatiemogelijkheid en bankkoppeling gezorgd (3.1 onder 5.). Wat betreft de btw-aangifte over het vierde kwartaal, het jaarrapport en de aangifte inkomstenbelasting over 2024 (3.1 onder 3. en 4) heeft [partij A] voorbereidende werkzaamheden verricht. [gedaagde] moet [partij A] voor het uitvoeren van deze werkzaamheden betalen. [partij A] kan om die reden aanspraak maken op het honorarium over 2024.
[partij A] heeft geen recht op honorarium over 20255.5. [partij A] vordert € 368,- aan honorarium over 2025. Dit is de overeengekomen pakketprijs van € 800,-, vermeerderd met 21% btw en verminderd met een door [partij A] gecrediteerd bedrag van € 600,-. [partij A] stelt dat [gedaagde] de overeengekomen opzegtermijn niet is nagekomen, waardoor de overeenkomst in 2025 is doorgelopen. [gedaagde] betwist dat hij over 2025 een bedrag aan [partij A] is verschuldigd. Hij wijst erop dat [partij A] over 2025 geen werkzaamheden voor hem heeft verricht.
5.6.
De kantonrechter is van oordeel dat het gevorderde bedrag aan honorarium over 2025 niet toewijsbaar is. [gedaagde] heeft bij het beëindigen van de overeenkomst de opzegtermijn van drie maanden voor het einde van het boekjaar niet in acht genomen. Hij heeft de overeenkomst op 29 oktober 2024 beëindigd voor de periode vanaf 1 januari 2025. Op basis van de gemaakte afspraken is de overeenkomst hierdoor met een jaar verlengd.
Dit neemt niet weg dat partijen het honorarium voor specifieke werkzaamheden zijn overeengekomen. [partij A] heeft erkend dat hij deze werkzaamheden over 2025 niet heeft verricht. Ook heeft hij verklaard dat hij het abonnement voor het boekhoudpakket twee maanden van tevoren had kunnen opzeggen. [partij A] kan om die reden geen aanspraak maken op betaling voor werkzaamheden over 2025.
[partij A] heeft geen recht op meerwerk5.7. [partij A] vordert € 629,16 exclusief btw aan meerwerk. Hij stelt dat hij op basis van de overeenkomst en de algemene voorwaarden recht heeft op dit bedrag, omdat hij door toedoen van [gedaagde] meer uren heeft moeten werken dan vooraf was voorzien. [gedaagde] betwist dit. Hij voert aan dat de algemene voorwaarden buiten toepassing blijven en dat [partij A] niet heeft geleverd wat afgesproken was.
5.8.
De kantonrechter is van oordeel dat het gevorderde bedrag aan meerwerk niet toewijsbaar is. Partijen zijn in de overeenkomst overeengekomen dat [partij A] extra buitencontractuele werkzaamheden van tevoren aan [gedaagde] kenbaar moet maken onder vermelding van een raming van de kosten. Aan deze afspraak heeft [partij A] zich niet gehouden. Daarbij komt dat het onduidelijk is waar de in factuur 3062 vermelde bedragen op zijn gebaseerd. Voor iedere vorm van meerwerk is in de factuur “
aantal 1,00” vermeld, terwijl de daarbij in rekening gebrachte bedragen in hoogte verschillen. [partij A] heeft verklaard dat hij een uurtarief heeft gehanteerd, maar dit tarief is in de factuur niet vermeld. De uren die aan meerwerk zijn besteed, zijn evenmin in de factuur vermeld of nader toegelicht. Bij die stand van zaken heeft [partij A] onvoldoende onderbouwd dat hij recht heeft op betaling van meerwerk.
5.9.
Nu [partij A] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij aanspraak kan maken op meerwerk, behoeft de vraag naar de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden geen bespreking.
Conclusie in conventie5.10. De conclusie in conventie is dat de vordering van [partij A] voor € 468,- inclusief kan worden toegewezen. Over dit bedrag is [gedaagde] de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf 5 februari 2025, de vervaldatum van de factuur 3057, tot aan de dag van voldoening.
5.11.
Er zijn namens [partij A] incassohandelingen verricht zo volgt uit de brief van
13 maart 2025 en de e-mails van 14 en 16 april 2025 van mr. Masselink aan (de gemachtigde van) [gedaagde]. Op grond van artikel 6:96 BW Pro in combinatie met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten heeft [partij A] voor het verrichten van deze handeling recht op € 70,20 aan buitengerechtelijke incassokosten.
5.12.
[partij A] is in de procedure in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld, omdat het grootste deel van zijn vordering niet toewijsbaar is. Daarom moet [partij A] de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 288,00 (2 punten × € 144,00)
- nakosten
€ 72,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 360,00
In reconventie
5.13.
[partij A] legt aan de vordering in reconventie ten grondslag dat hij schade heeft geleden doordat [partij A] zijn administratie niet aan Kubus heeft willen overdragen. Ook voert [gedaagde] aan een bedrag onverschuldigd aan [partij A] te hebben betaald.
5.14.
[gedaagde] vordert € 778,50 aan schade. Hij stelt dat Kubus dit bedrag bij hem in rekening heeft moeten brengen, doordat [partij A] weigerde zijn administratie aan Kubus over te dragen. [partij A] betwist de vordering van [gedaagde]. Hij voert aan dat hij de administratie van [gedaagde] niet kon overdragen, omdat hij toen [gedaagde] de overeenkomst beëindigde zijn werkzaamheden nog niet had afgerond en hij door toedoen van [gedaagde] niet kon instaan voor de kwaliteit daarvan. Ook beroept [partij A] zich op zijn retentierecht.
[gedaagde] heeft zijn eis verminderd5.15. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [gedaagde] verklaard dat per abuis
€ 778,50 is gevorderd. Dit bedrag had volgens [gedaagde] € 757,25 moeten zijn zoals op de factuur van 26 juni 2025 van Kubus is vermeld. De kantonrechter zal op deze eiswijziging beslissen. Hoewel artikel 130 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voorschrijft dat een eiswijziging schriftelijk moet worden gedaan, is de mondelinge eiswijziging van [gedaagde] toelaatbaar. Omdat sprake is van een eisvermindering van € 778,50 naar € 757,25, ondervindt [partij A] van deze eiswijziging immers geen nadeel.
5.16.
De kantonrechter is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 757,25 als schade voor het verrichten van de werkzaamheden door Kubus toewijsbaar is. Omdat sprake is van een bedrag aan schadevergoeding, is de [partij A] over dit toewijsbare bedrag geen btw verschuldigd. Ter toelichting op de beslissing dat [partij A] schadevergoeding aan [gedaagde] moet betalen, wordt het volgende overwogen.
[partij A] had de administratie van [gedaagde] moeten overdragen5.17. [partij A] had als goed opdrachtnemer moeten voldoen aan het verzoek van Kubus om de administratie van [gedaagde] aan haar over te dragen. Als onweersproken staat vast dat het in de branche gebruikelijk is dat een boekhouder de administratie van zijn klant aan een opvolgend boekhouder overdraagt. Dat [partij A] als gevolg van een tussentijdse beëindiging van de opdracht door [gedaagde] zijn werkzaamheden niet kon afronden en niet voor de kwaliteit daarvan kon instaan, stond niet aan zijn verplichting om de administratie van [gedaagde] over te dragen in de weg. [partij A] had de administratie onafgerond naar Kubus kunnen en moeten opsturen. Voor de kwaliteit daarvan had hij een voorbehoud kunnen maken.
[gedaagde] heeft door de handelswijze van [partij A] schade geleden5.18. [gedaagde] heeft met de factuur van 26 juni 2025 aangetoond dat Kubus € 757,25 exclusief btw bij hem in rekening heeft gebracht voor onder andere “
Verwerken financiële administratie 1e tm 3e kwartaal 2024, samenstellen jaarrapport”. [partij A] betwist niet dat deze kosten voor [gedaagde] waren voorkomen als hij de administratie van [gedaagde] aan Kubus zou hebben overdragen. Doordat [partij A] de administratie niet heeft overgedragen, heeft Kubus een deel van de door hem verrichte werkzaamheden opnieuw moeten uitvoeren en daarvoor bij [gedaagde] genoemde kosten in rekening moeten brengen. Daarmee staat vast dat [gedaagde] door het handelen van [partij A] schade heeft geleden. [partij A] moet deze schade in beginsel aan [gedaagde] vergoeden.
Het beroep van [partij A] op zijn retentierecht slaagt niet5.19. De kantonrechter oordeelt dat het beroep van [partij A] op zijn retentierecht in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en overweegt daarover het volgende.
5.20.
Kubus heeft [partij A] op 3 april 2025 verzocht de administratie van [gedaagde] aan haar over te dragen. Op dat moment had [gedaagde] reeds € 500,- aan [partij A] voldaan. Nog diezelfde dag heeft [gedaagde] – onder de voorwaarde dat [partij A] binnen tien werkdagen alle boekhoudgegevens aan de nieuwe boekhouder zou verstrekken – aangeboden aanvullend
€ 300,- aan [partij A] te betalen. Op 14 april 2025 heeft [partij A] aan [gedaagde] laten weten met dit aanbod niet akkoord te gaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij A] verklaard dat hij niet bereid was de administratie van [gedaagde] aan Kubus te verstrekken, omdat hij van mening was dat [gedaagde] eerst de facturen 3057 en 3062 aan hem moest betalen.
5.21.
Naar het oordeel van de kantonrechter stond het belang van [partij A] om de administratie achter te houden niet in een redelijke verhouding tot het belang van [gedaagde] om over de administratie te beschikken. [partij A] kon enkel aanspraak maken op het honorarium over 2024. [gedaagde] had zich bereid verklaard om van dat honorarium van in totaal € 968,- een bedrag van € 800,- aan [partij A] te betalen (hiervoor onder 5.20). [partij A] hield de administratie van [gedaagde] dus als pressiemiddel achter om een resterende vordering van € 168,- voldaan te krijgen. Tegenover dit belang van [partij A] stond het belang van [gedaagde] om over de administratie te beschikken. Zoals hiervoor onder 5.18 is overwogen, heeft Kubus € 757,25 bij [gedaagde] in rekening gebracht, doordat [partij A] de administratie niet wilde overdragen. Het bedrag dat [gedaagde] aan Kubus moest betalen, is dan ook aanzienlijk hoger dan het bedrag waarvoor [partij A] zijn retentierecht uitoefende.
5.22.
Naast voornoemde afweging van belangen heeft de kantonrechter in de beoordeling betrokken dat het honorarium over 2024 tussen partijen was overeengekomen voor werkzaamheden die [partij A] niet had afgerond (hiervoor onder 5.4). Ook in dit opzicht was de opschorting door [partij A] van zijn verplichting de administratie van [gedaagde] over te dragen disproportioneel.
5.23.
Uit het voorgaande volgt dat [partij A] de administratie van [gedaagde] achterhield om aanspraak te maken op een honorarium dat [gedaagde] al grotendeels had voldaan en dat was overeengekomen voor werkzaamheden die [partij A] niet had afgerond, terwijl [gedaagde] door het achterhouden van de administratie aanzienlijk in zijn belangen werd geschaad. Deze handelswijze van [partij A] wordt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht.
[partij A] is in verzuim geraakt5.24. Nu [partij A] zijn verplichting om de administratie van [gedaagde] over te dragen niet in afwachting van de voldoening van de facturen 3057 en 3062 had mogen opschorten, is [partij A] op 14 april 2025 door het voorstel van [gedaagde] af te wijzen in verzuim geraakt. Op grond van artikel 6:83 sub c BW Pro was voor het intreden van dit verzuim geen ingebrekestelling vereist (zie ook: Hoge Raad 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610 onder 4.6).
Er is geen sprake van een onverschuldigde betaling5.25. [gedaagde] vordert € 320,- als onverschuldigd betaald. Hij voert aan dat € 500,- aan [partij A] heeft betaald, terwijl hij slechts € 180,- aan [partij A] verschuldigd was.
5.26.
De kantonrechter is van oordeel dat dit deel van de vordering van [gedaagde] niet toewijsbaar is. Uit het hetgeen hiervoor onder 5.3 en 5.4 is overwogen, volgt dat [gedaagde]
€ 968,- inclusief btw aan [partij A] moet betalen en dat [gedaagde] daarvan € 500,- aan [partij A] heeft voldaan. Van een onverschuldigde betaling van [gedaagde] aan [partij A] is dan ook geen sprake.
Conclusie in reconventie
5.27.
De conclusie in reconventie is dat de vordering van [gedaagde] voor € 757,25 toewijsbaar is. De gevorderde rente wordt over dit bedrag toegewezen met ingang van 14 april 2025, omdat [partij A] – zoals hiervoor onder 5.24 is overwogen – op die datum in verzuim is geraakt.
5.28. [partij A] is in de procedure in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [gedaagde] betalen.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 144,00 (1 punt)
- nakosten
€ 72,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 216,00
5.29.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de beslissing van de kantonrechter moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing geldt in dat geval totdat in hoger beroep een beslissing is genomen.

6.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [partij A] te betalen € 468,00 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag, vanaf 5 februari 2025 tot aan de dag van voldoening,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [partij A] te betalen € 70,20 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 360,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie6.4. veroordeelt [partij A] om aan [gedaagde] te betalen € 757,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, vanaf 14 april 2025 tot aan de dag van voldoening,
6.5.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] begroot op
€ 216,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in conventie en reconventie
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Mul en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.