Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:975

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
11961855 \ CV EXPL 25-2012
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 3:53 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst accountantswerkzaamheden en vernietiging aanvullende overeenkomst

Partijen sloten in 2015 een overeenkomst van opdracht waarbij eiser accountantswerkzaamheden verrichtte voor gedaagde tegen betaling. In 2022 maakten zij aanvullende betalingsafspraken, maar gedaagde vernietigde deze aanvullende overeenkomst in mei 2025 wegens misbruik van omstandigheden, wat door eiser werd geaccepteerd.

Eiser vorderde betaling van €16.000, vermeerderd met wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Gedaagde voerde aan dat het tarief van eiser niet marktconform was en dat reeds betalingen waren verricht die in mindering moesten worden gebracht. De kantonrechter stelde vast dat partijen terugvallen op de oorspronkelijke overeenkomst van 2015 en dat eiser voldoende had onderbouwd dat gedaagde nog €31.015,17 verschuldigd was, waarvan eiser zijn vordering had gematigd tot €16.000.

Het verweer van gedaagde werd verworpen omdat hij het niet-marktconforme tarief niet had onderbouwd en de betalingen deels betrekking hadden op eerdere facturen. Ook de vordering voor wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten werd toegewezen. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het bedrag, de incassokosten en proceskosten, met veroordeling tot betaling binnen veertien dagen en uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €16.000, wettelijke handelsrente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11961855 \ CV EXPL 25-2012
Vonnis van 24 februari 2026
in de zaak van
[eiser], handelend onder de naam [bedrijf 1],
wonende in [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf 2],
wonende in [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: Hofhuis Financieel Advies B.V.

1.Waar deze zaak over gaat

Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten inhoudende dat [eiser] accountantswerkzaamheden tegen betaling verricht voor [gedaagde]. [eiser] vordert betaling van zijn werkzaamheden. [gedaagde] voert aan dat het tarief van [eiser] niet marktconform is en dat hij al betalingen heeft verricht die in mindering moeten strekken op de vordering. De kantonrechter gaat niet mee in dit verweer en wijst de vordering van [eiser] toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10, uitgebracht op 30 oktober 2025,
- de conclusie van antwoord met producties,
- aanvullende producties aan de zijde van gedaagde,
- de brief van eiser met een reactie op de aanvullende producties van gedaagde en producties 10 en 11 van eiser,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 27 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij namens beide partijen pleitnotities zijn voorgedragen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Partijen hebben in 2015 een overeenkomst van opdracht gesloten inhoudende dat [eiser] accountantswerkzaamheden tegen betaling verricht voor [gedaagde].
3.2.
In 2022 hebben partijen betalingsafspraken gemaakt over de facturen van [eiser] tot en met 16 februari 2022.
3.3.
[gedaagde] heeft op 22 mei 2025 de aanvullende overeenkomst van 2022 vernietigd op grond van misbruik van omstandigheden. [eiser] heeft berust in deze vernietiging.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert (samengevat) primair veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 16.000,00 en subsidiair tot betaling van € 15.839,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding, buitengerechtelijke incassokosten en nakosten.
4.2.
[gedaagde] voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Voordat de kantonrechter de vorderingen inhoudelijk kan beoordelen moet eerst worden vastgesteld op welke overeenkomst de vorderingen zijn gebaseerd. Partijen hebben in 2015 een overeenkomst van opdracht gesloten en zijn in 2022 een aanvullende overeenkomst overeengekomen. Door vernietiging van de aanvullende overeenkomst vallen partijen terug op de overeenkomst van opdracht zoals zij deze in 2015 zijn overeengekomen.
5.2.
Gezien het voorgaande heeft [eiser] zijn vordering tot nakoming gebaseerd op de overeenkomst van opdracht uit 2015. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] op grond van deze overeenkomst nog gehouden is om [eiser] een bedrag van € 31.015,17 te betalen. [eiser] heeft zijn vordering primair gematigd tot een bedrag van € 16.000,00. Volgens [eiser] heeft het door hem gehanteerde tarief nooit ter discussie gestaan. Ook heeft [eiser] aangevoerd dat hij extra werkzaamheden heeft moeten uitvoeren voor een boekenonderzoek en begeleiding van een compromis met de belastingdienst. Dit heeft geleid tot extra kosten. [gedaagde] heeft deze aanvullende werkzaamheden niet betwist.
5.3.
Volgens [gedaagde] is het door [eiser] gehanteerde tarief niet marktconform, maar [gedaagde] heeft dit niet onderbouwd. Dat [eiser] in het verleden kortingen aan [gedaagde] heeft gegeven is geen aanwijzing dat [eiser] zijn eigen tarief te hoog vindt, aangezien deze kortingen juist een tegemoetkoming waren van [eiser] aan [gedaagde]. Overigens zijn deze kortingen, die op de aanvullende overeenkomst van 2022 zijn gebaseerd, door de vernietiging van deze overeenkomst met terugwerkende kracht komen te vervallen zodat [gedaagde] hier geen beroep meer op kan doen. [1] [gedaagde] heeft ook aangevoerd dat hij al een bedrag van € 21.845,40 op de vordering heeft betaald, maar [eiser] heeft vervolgens voldoende en onweersproken onderbouwd dat ruim de helft van dit bedrag niet ziet op onderhavige vordering maar op betalingen van voor februari 2022. Dat [eiser] facturen aan [gedaagde] heeft toegestuurd over werkzaamheden van jaren geleden doet ook niet af aan de vordering van [eiser]. Indien de kantonrechter [gedaagde] zo moet begrijpen dat de werkzaamheden waarvan [gedaagde] facturen heeft ontvangen al eerder door [eiser] aan [gedaagde] zijn gefactureerd, dan heeft [gedaagde] niet onderbouwd of inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden precies dubbel zijn gefactureerd. De kantonrechter wijst de primaire vordering van [eiser] dus toe.
5.4.
De gevorderde wettelijke handelsrente is op de wet gegrond en niet door [gedaagde] weersproken. De kantonrechter zal de wettelijke handelsrente dus toewijzen.
5.5.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 925,00 worden toegewezen.
5.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter zal de nakosten begroten op € 135,00, omdat dit bedrag door [eiser] is gevorderd. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,76
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.851,76

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 16.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.851,76, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026. (hg)

Voetnoten

1.Artikel 3:53 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek.