ECLI:NL:RBOVE:2026:991

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
C/08/335375 / HA ZA 25-217
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 lid 2 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedaagde moet geldlening van eiser terugbetalen ondanks verkoop bedrijfspand

De zaak betreft een geschil tussen broers die in het verleden zakelijk samenwerkten en afspraken maakten over de afwikkeling van hun samenwerking. Eiser vordert betaling van een geldlening van €58.165,65 die hij aan gedaagde heeft verstrekt. Gedaagde betwist de vordering en stelt dat terugbetaling alleen verschuldigd zou zijn bij verkoop van een bedrijfspand met overwaarde aan de gemeente Almelo.

De rechtbank oordeelt dat gedaagde onvoldoende heeft onderbouwd dat partijen een dergelijke voorwaarde hebben afgesproken. Tijdens de mondelinge behandeling verklaarden partijen dat zij geen rekening hielden met het scenario dat het pand niet of zonder overwaarde zou worden verkocht. De rechtbank stelt vast dat de geldlening niet afhankelijk is van de verkoop van het bedrijfspand.

Daarnaast is de vordering niet verjaard omdat de terugvordering pas in 2024 is opgeëist en sindsdien minder dan vijf jaar is verstreken. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van het geleende bedrag, de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €58.165,65 met rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/335375 / HA ZA 25-217
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna in mannelijk enkelvoud te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M.H.J. Booijink,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna in mannelijk enkelvoud te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. M.B. Bollen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het bericht van 5 januari 2026 met productie 8 namens [eiser],
- een e-mail van 5 januari 2026, waarin mr. Bollen namens [gedaagde] bezwaar maakt tegen het indienen van productie 8,
- een e-mail van 5 januari 2026, waarin mr. Booijink namens [eiser] reageert op genoemd bezwaar van mr. Bollen,
- de mondelinge behandeling van 13 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

[betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn broers van elkaar. In het verleden hebben zij zakelijk met elkaar samengewerkt o.a. als (indirect) bestuurders van de [bedrijf] B.V. In 2008 hebben zij deze samenwerking beëindigd en afspraken gemaakt over de afwikkeling daarvan.
In deze procedure stelt [eiser] dat hij op basis van de gemaakte afspraken
€ 58.165,65 van [gedaagde] te vorderen heeft. [gedaagde] betwist dit.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] het gevorderde bedrag aan [eiser] verschuldigd is. [eiser] heeft dit bedrag als geldlening aan [gedaagde] verstrekt en [gedaagde] heeft het nog niet aan [eiser] terugbetaald. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij het geleende bedrag alleen behoefde terug te betalen bij de verkoop met overwaarde van een bedrijfspand aan de gemeente Almelo. Van verjaring is geen sprake.
Hierna wordt deze beslissing van de rechtbank nader toegelicht.
3. De feiten
3.1.
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn broers van elkaar. In het verleden hebben zij zakelijk met elkaar samengewerkt. Dit hebben zij onder meer gedaan via [eiser] en [gedaagde] als bestuurders van de [bedrijf] B.V.
3.2.
In 2008 hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hun zakelijke samenwerking beëindigd en afspraken met elkaar gemaakt over de afwikkeling daarvan. Deze afspraken hebben zij vastgelegd in drie verschillende overeenkomsten.
3.3.
Bij overeenkomst van 23 december 2008 heeft [gedaagde] zijn aandelen in [bedrijf] B.V. aan [eiser] verkocht.
3.4.
Bij een andere overeenkomst van 23 december 2008 hebben [eiser] en [gedaagde] afspraken gemaakt voor het geval de onroerende zaak aan de [adres] (hierna: het bedrijfspand), waarvan [bedrijf] B.V. (indirect) eigenaar is, met overwaarde aan de gemeente Almelo wordt verkocht.
In deze overeenkomst is, voor zover hier van belang, vermeld:

(…) Het is aannemelijk dat het onroerend goed, genoemd in lid 1(opmerking rechtbank: het bedrijfspand)
, verkocht zal worden aan de gemeente Almelo.Indien de verkoop (…) plaats zal vinden binnen 10 jaar na Levering van de aandelen, zal [gedaagde] B.V. recht hebben op 50% van de meeropbrengsten minus de kosten, waaronder ook begrepen de verschuldigde vennootschapsbelasting over de behaalde boekwinst, indien de opbrengsten meer bedragen dan € 505.000,- (de getaxeerde waarde). (…)
3.5.
Bij overeenkomst tot verrekening, ondertekend op 9 januari 2009, zijn partijen overeengekomen dat zij hun vorderingen over en weer wensen te verrekenen. In deze overeenkomst is, voor zover hier van belang, vermeld:

(…) Artikel 1 Verrekening Pro van vorderingen1.1 Partijen wensen hun vorderingen over en weer te verrekenen, tevens inhoudende devorderingen over en weer van de dochtervennootschappen.1.2 Na verrekening resteert een vordering van [bedrijf] B.V.op [gedaagde] B.V. ten bedrage van € 58.165,65 (…);1.3 Partijen komen overeen dat [gedaagde] B.V. gelden, welke zij zalontvangen van [eiser] B.V., onverwijld en in zijn geheel zalaanwenden ter (gedeeltelijke) voldoening van de vorderingen zoals genoemd inartikel 1.2.(…).

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 58.165,65, vermeerderd met de wettelijke rente, vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 1.641,55 en in de kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert de vorderingen van [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren c.q. af te wijzen en [eiser] te veroordelen in de kosten van de procedure.

5.De beoordeling

5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] een geldlening van
€ 58.165,65 aan [gedaagde] heeft verstrekt om daarmee de vordering af te lossen die [bedrijf] B.V. uit hoofde van de hiervoor onder
3.5 vermelde overeenkomst op [gedaagde] had. Ook staat vast dat [gedaagde] met het geleende geld de vordering van genoemde beheersmaatschappij daadwerkelijk heeft afgelost en dat hij daarna niet heeft afgelost op de vordering die [eiser] op hem heeft. [gedaagde] moet daarom in beginsel het door [eiser] aan hem geleende bedrag aan [eiser] (terug)betalen zoals [eiser] in deze procedure ook gevorderd heeft.
Aflossing lening is niet afhankelijk van verkoop bedrijfspand
5.2.
[gedaagde] voert als primair verweer tegen de vordering van [eiser] aan dat partijen voor ogen hebben gehad dat [gedaagde] het aan hem geleende bedrag alleen aan [eiser] behoefde terug te betalen als de verkoop van het bedrijfspand aan de gemeente Almelo zou plaatsvinden voor een zodanig bedrag dat deze terugbetaling mogelijk was. A contrario betekent dit volgens [gedaagde] dat hij niet op de geldlening behoefde af te lossen als genoemde verkoop geen doorgang zou vinden of voor een lager bedrag. [eiser] betwist de stellingen van [gedaagde]. Volgens hem hebben partijen niet afgesproken dat alleen bij verkoop van het bedrijfspand op de lening behoefde te worden afgelost.
5.3.
De rechtbank oordeelt dat het op de weg van [gedaagde] ligt om voldoende te onderbouwen dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] de door [eiser] aan hem verstrekte geldlening niet behoefde af te lossen als de verkoop van het bedrijfspand aan de gemeente Almelo niet door zou gaan voor een zodanig bedrag dat deze aflossing mogelijk was. [gedaagde] is immers de partij die zich op het rechtsgevolg van een zodanige afspraak beroept. Aan deze verplichting heeft [gedaagde] om de navolgende redenen niet, althans onvoldoende voldaan.
5.4.
De overeenkomst tot geldlening tussen partijen is niet schriftelijk vastgelegd. Voor het antwoord op de vraag of partijen zijn overeengekomen dat alleen bij verkoop van het bedrijfspand aan de gemeente Almelo met een voor het terugbetalen van de geldlening toereikende verkoopopbrengst op de geldlening behoefde te worden afgelost, komt het daarom aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en uitlatingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij is van belang wat partijen over en weer tegen elkaar hebben gezegd en wat zij daaruit mochten afleiden.
5.5.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen verklaard dat het hen bij het sluiten van de geldleningsovereenkomst voor ogen stond dat [gedaagde] zijn deel van de overwaarde uit het bedrijfspand zou gebruiken voor het aflossen van de geldlening van [eiser] aan hem. Een onafhankelijk deskundige had het pand getaxeerd op € 505.000,-. Iedere verkoopopbrengst daarboven werd na aftrek van de kosten aangemerkt als overwaarde. [gedaagde] zou recht hebben op 50% daarvan. De gemeente Almelo beschikte over een wettelijk voorkeursrecht en had een naastgelegen pand aangekocht. Partijen hadden daarom de verwachting dat de gemeente binnen een termijn van tien jaren een bod op het bedrijfspand zou uitbrengen. Met de mogelijkheid dat er bij de verkoop van het bedrijfspand geen sprake zou zijn van overwaarde hielden partijen – naar zij beiden hebben verklaard – destijds geen rekening. Op welke wijze in dat scenario de geldlening zou moeten worden afgelost, is bij het aangaan van de geldleningsovereenkomst dan ook niet tussen hen besproken.
5.6.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] uit hetgeen partijen bij het aangaan van de geldleningsovereenkomst over-en-weer hebben verklaard niet heeft mogen afleiden dat hij het geleende bedrag alleen aan [eiser] behoefde terug te betalen
als de verkoop van het bedrijfspand aan de gemeente Almelo niet door zou gaan voor een zodanig bedrag dat deze aflossing mogelijk was. Dat het de bedoeling van partijen was dat [gedaagde] zijn deel van de overwaarde zou aanwenden voor het aflossen van de geldlening, betekent niet dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] het geleende bedrag aan [eiser] niet behoefde terug te betalen als van een verkoop of voldoende overwaarde geen sprake zou zijn. Tussen partijen is niet besproken dat de geldlening zou worden kwijtgescholden als de verkoopopbrengst van het bedrijfspand [gedaagde] onvoldoende zou opleveren om de geldlening af te kunnen lossen. Partijen hielden eenvoudig weg geen rekening met de mogelijkheid dat het bedrijfspand niet of zonder voldoende overwaarde zou worden verkocht. Een afspraak dat niet op de geldlening behoefde te worden afgelost, is nimmer tussen hen gemaakt. Bij die stand van zaken heeft [gedaagde] niet in de veronderstelling mogen verkeren dat [eiser] op basis van de gemaakte afspraken na ommekomst van de voor de verkoop van het bedrijfspand overeengekomen termijn van tien jaar geen aanspraak meer zou maken op het geleende geldbedrag.
5.7.
Naast het feit dat tussen partijen niet is besproken dat bij het uitblijven van een verkoop van het bedrijfspand aan de gemeente Almelo met voldoende overwaarde op de geldlening behoefde te worden afgelost, neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de stukken volgt dat [betrokkene 2] zelf heeft bevestigd dat [gedaagde] een geleend geldbedrag aan [eiser] verschuldigd was. In een van de zijde van [eiser] als productie 8 overgelegde Whatsapp-bericht deelt [betrokkene 2] aan een onbekende geadresseerde mee dat het pand heel goedkoop is verkocht en dat hij nu moet betalen. De rechtbank begrijpt dat [betrokkene 2] hiermee doelt op de verkoop van het bedrijfspand aan een derde-partij voor een bedrag van € 300.000,-, die zoals niet is weersproken in 2022 heeft plaatsgevonden en waarvan vast staat dat deze nadien geen doorgang heeft gevonden. Op de vraag van de geadresseerde of het een schuld is van jou aan hem en of je kans maakt, antwoordt [betrokkene 2]: “
beheer aan beheer” en “
heel weinig”. Kennelijk realiseerde [betrokkene 2] zich ook zelf dat [gedaagde] bij een verkoop van het bedrijfspand onder de getaxeerde waarde ook op de geldlening van [eiser] behoorde af te lossen.
5.8.
Omdat op basis van hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard en de stukken die zijn overlegd kan worden vastgesteld dat tussen partijen niet is afgesproken dat [gedaagde] het aan hem geleende bedrag alleen aan [eiser] behoefde terug te betalen als de verkoop van het bedrijfspand aan de gemeente Almelo zou plaatsvinden voor een zodanig bedrag dat deze terugbetaling mogelijk was, wordt het primaire verweer van [gedaagde] verworpen.
De vordering van [eiser] is niet verjaard5.9. [gedaagde] voert als subsidiair verweer tegen de vordering van [eiser] aan dat het vorderingsrecht van [eiser] is verjaard. Hij stelt dat de verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen toen op 10 of 9 januari 2024 de overeengekomen termijn van tien jaar afliep waarbinnen de verkoop van het bedrijfspand had moeten plaatsvinden en dat de stuitingsbrief van 15 oktober 2024 na dit moment is verzonden.
5.10.
[eiser] betwist dit. Hij voert aan dat de verplichting tot terugbetaling van de geldlening niet afhankelijk was van de verkoop van het bedrijfspand. Partijen zijn geen tijdstip voor nakoming overeengekomen. Omdat hij op 15 oktober 2024 bij [gedaagde] aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van het geleende bedrag, is de verjaringstermijn volgens [eiser] op die datum gaan lopen en de vordering
– zonder tijdige en juiste stuiting – pas op 16 oktober 2029 verjaard.
5.11.
De rechtbank oordeelt als volgt. Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of doen verjaart in beginsel door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Dat is evenwel anders indien sprake is van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd. In dat geval loopt de verjaringstermijn van vijf jaar pas vanaf de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan (artikel 3:307 lid 2 BW Pro).
5.12.
In onderhavig geval is er sprake van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW Pro. Zoals hiervoor onder 5.5 is overwogen, hebben partijen verklaard dat het hun bedoeling was dat [gedaagde] zijn deel van de overwaarde van de verkoop van het bedrijfspand aan de gemeente Almelo zou gebruiken voor het aflossen van de geldlening. Bij het aangaan van de geldleningsovereenkomst was nog niet duidelijk of en, zo ja, wanneer deze verkoop zou plaatsvinden. De geldlening moest gelet hierop worden afbetaald op een onbepaald moment dat nog in de toekomst lag.
5.13.
Omdat sprake is van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd is de verjaringstermijn gaan lopen de dag volgende op die waarop [eiser] de geldlening bij [gedaagde] heeft opgeëist. Tussen partijen is niet in geschil dat [betrokkene 1] dit voor het eerst in de brief van 15 oktober 2024 (productie 3 bij conclusie van antwoord) heeft gedaan. Er zijn sindsdien nog geen vijf jaren verstreken. Verjaring is daarom niet aan de orde. Het subsidiaire verweer van [gedaagde] wordt om die reden verworpen.
Conclusie, nevenvorderingen en proceskosten
5.14.
Nu uit het voorgaande volgt dat de verweren van [gedaagde] moeten worden verworpen, moet [gedaagde] het door [eiser] aan hem geleende bedrag van € 58.165,65 terugbetalen. De vordering van [eiser] is dan ook toewijsbaar.
5.15.
De gevorderde rente over de hoofdsom wordt toegewezen met ingang van 24 juni 2025. Op grond van artikel 6:119 BW Pro is de wettelijke rente toewijsbaar vanaf het moment dat [gedaagde] in verzuim was met de nakoming van zijn terugbetalingsverplichting uit hoofde van de geldleningsovereenkomst. Partijen hebben geen exact tijdstip voor de terugbetaling afgesproken. Ook bij het opeisen van de vordering heeft [eiser] geen termijn voor de nakoming gesteld, waardoor de verzuimdatum niet kan worden vastgesteld. De rechtbank oordeelt daarom dat de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding moet worden betaald.
5.16.
Er zijn namens [eiser] incassohandelingen verricht zo volgt uit de brieven van 15 oktober 2024 en 5 november 2024 van de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde]. Op grond van artikel 6:96 BW Pro in combinatie met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten heeft [eiser] voor het verrichten van deze handelingen recht op het gevorderde bedrag van € 1.641,55 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten.
5.17.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.883,40
5.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.19.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de beslissing van de rechtbank moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing geldt in dat geval totdat in hoger beroep een beslissing is genomen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 58.165,65, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.641,55 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] begroot op € 5.883,40, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening, indien [gedaagde] niet binnen de genoemde termijn betaalt en vervolgens betekening van het vonnis plaatsvindt,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na dit vonnis zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Mul en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.