ECLI:NL:RBROE:2001:AE2159
Rechtbank Roermond
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.M.J.A. Dassen
- Rechtspraak.nl
Weigering vrijstelling voor het houden van primaten op grond van de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten
Eiser verzocht om vrijstelling op grond van artikel 5 van Pro de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten (Wet Budep) om intracommunautair te handelen in primaten en deze onder zich te houden. Verweerder weigerde deze vrijstelling, waarna eiser bezwaar maakte en beroep instelde tegen de fictieve weigering en het daarop volgende besluit.
De rechtbank overweegt dat het wettelijk kader duidelijk maakt dat vrijstelling voor het onder zich hebben van primaten niet mogelijk is. Het begrip 'in bezit hebben' is niet gelijk aan 'onder zich hebben', maar het verbod strekt zich ook uit tot het feitelijk houden van deze dieren. De rechtbank acht het aannemelijk dat het houden van primaten door particulieren kan leiden tot dierenleed en een toename van roof uit de natuur.
Eisers beroep tegen de fictieve weigering wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder inmiddels een reëel besluit heeft genomen. Het beroep tegen het inhoudelijke besluit wordt ongegrond verklaard. De rechtbank wijst erop dat het verbod niet in strijd is met artikel 28 van Pro het EG-Verdrag omdat het kan worden gerechtvaardigd op grond van de bescherming van het leven en de gezondheid van dieren. De kosten van de procedure worden aan verweerder opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de fictieve weigering wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het inhoudelijke besluit tot weigering van vrijstelling wordt ongegrond verklaard.