ECLI:NL:RBROE:2002:AF2586
Rechtbank Roermond
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.C.G. Brants
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige
De Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg verzocht de kinderrechter om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in een bepaalde plaats, in het belang van de verzorging en opvoeding. De minderjarige was reeds onder toezicht gesteld tot november 2003. De gezinsvoogdij-instelling wilde de twee jongste kinderen bij de vader plaatsen vanwege problemen met de omgangsregeling en de verschillende woonplaatsen van de ouders.
De ouders zijn gescheiden en oefenen beiden het gezag uit. De kinderen wonen bij de moeder. De gezinsvoogd noemde het verzoek tot plaatsing bij vader de minst slechte optie, maar kon niet met zekerheid zeggen dat de ontwikkeling van de minderjarige bedreigd werd. De moeder verzette zich tegen de uithuisplaatsing en wilde dat de kinderen bij elkaar blijven. De vader was bereid tot een goede omgangsregeling.
De kinderrechter overwoog dat het verzoek gebaseerd was op artikel 1:261 BW Pro, dat machtiging tot uithuisplaatsing mogelijk maakt indien noodzakelijk voor verzorging en opvoeding. Volgens artikel 1:82 BW Pro behoren kinderen tot het gezin, ook als zij elders wonen. De kinderrechter concludeerde dat er geen sprake was van uit huis plaatsen in de zin van artikel 1:261 BW Pro, omdat de situatie van de ouders niet duidt op definitief vertrek uit het gezin. Ook was onvoldoende gebleken dat verblijf elders dan bij moeder noodzakelijk was.
Daarom verklaarde de kinderrechter het verzoek van de gezinsvoogdij-instelling niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake is van uit huis plaatsen in de zin van artikel 1:261 BW.