ECLI:NL:RBROE:2003:AF3603

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
27 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
W 1/03
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 SrArt. 348 SvArt. 350 SvArt. 515 lid 3 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wraking van rechters wegens vermeende vooringenomenheid

Op 27 januari 2003 diende mr. J.M. R. een verzoek tot wraking in tegen de leden van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Roermond, belast met de strafzaak tegen verdachte C. F. Het verzoek was gebaseerd op het feit dat de rechters eerder vonnissen hadden gewezen in zaken waarin was vastgesteld dat verdachte deel uitmaakte van een criminele organisatie.

De wrakingskamer, bestaande uit drie andere rechters, behandelde het verzoek dezelfde dag. De gewraakte rechters berustten niet in het verzoek en twee van hen wensten niet gehoord te worden. Mr. X werd gehoord evenals de officier van justitie, die het wrakingsverzoek afwees.

De rechtbank overwoog dat het feit dat rechters eerder in een andere zaak een oordeel hadden geveld over de verdachte niet voldoende is voor een zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid. Uitzonderlijke omstandigheden, zoals een specifiek en onderbouwd oordeel over de verdachte in de eerdere zaak dat de rechter zou binden, waren niet gesteld of gebleken.

Op grond hiervan wees de rechtbank het verzoek tot wraking af. De beslissing werd openbaar uitgesproken door de wrakingskamer onder voorzitterschap van R.M.L.M. Magnée.

Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de rechters wordt afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK TE ROERMOND
Zaaknummer: W 1/03
B E S L I S S I N G
ex artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering inzake het op 27 januari 2003 door mr. J.M. R., advocaat te A., gedane verzoek tot wraking.
I. Ontstaan en loop van het geding
Op 27 januari 2003 heeft mr. J.M. R. bij deze rechtbank ter terechtzitting in de strafzaak tegen de verdachte C. F. (parketnummer 04/072003-00) een verzoek tot wraking ingediend van mrs. X, Y en Z, leden van de meervoudige strafkamer, belast met de behandeling van bovengenoemde zaak. Het verzoek is gegrond op het feit dat genoemde leden van de rechtbank eerder vonnis hebben gewezen in zaken waarin bewezen is verklaard dat de betreffende verdachten samen met onder meer C. F. heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr Pro.
Op 27 januari 2003 is aan mr. R. en mrs. X, Y en Z medegedeeld dat de wrakingskamer zal bestaan uit mrs. R.M.L.M. Magnée, W.P.C.M. Bruinsma en L.A. Gruiters, dat de behandeling van het verzoek is bepaald diezelfde dag om 11.30 uur en dat zij alsdan in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord. De gewraakte rechters hebben schriftelijk gereageerd en niet berust in de wraking. Mrs. Y en Z hebben te kennen gegeven dat zij geen behoefte hebben te worden gehoord.
Tijdens de behandeling ter openbare terechtzitting van het wrakingsverzoek heeft mr. R. zijn verzoek nader toegelicht. Mr. X is door de wrakingskamer gehoord. Ook de officier van justitie is door de wrakingskamer gehoord. De officier heeft geconcludeerd tot verwerping van het wrakingsverzoek.
II. Overwegingen
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter (als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en artikel 14, eerste lid,
IVBPR) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
De enkele omstandigheid dat de zaak van de verdachte F. wordt behandeld door een kamer van de rechtbank, waarvan de leden zitting hebben gehad in de kamer van de rechtbank die voordien, in de zaak tegen een aantal andere verdachten, bewezen heeft verklaard dat F. tezamen met deze andere verdachten deel heeft uitgemaakt van een organisatie in de zin van artikel 140 Sr Pro, is niet voldoende voor het aanwezig zijn van een zwaarwegende aanwijzing als hiervoor bedoeld. Het behoort immers tot de normale, wettelijke taak van de rechter die heeft te beslissen over de in de artikelen 348 en 350 Sv vermelde vragen, dat hij daarbij slechts oordeelt op de grondslag van hetgeen aan de verdachte is te laste gelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande, en dat hij hetgeen hij heeft beslist in een andere zaak tegen een andere verdachte daarbij buiten beschouwing laat.
Bij het vaststellen van uitzonderlijke omstandigheden welke wel een zwaarwegende aanwijzing opleveren als hierboven bedoeld, valt te denken aan factoren zoals de mate waarin in de uitspraak tegen de andere verdachten een specifiek en onderbouwd oordeel met betrekking tot de verdachte F. is gegeven en de feitelijk gebleken gebondenheid van de rechter aan dat oordeel.
In de onderhavige zaak is gesteld noch gebleken dat van deze laatste of van andere daarmee op één lijn te stellen bijzondere omstandigheden sprake is.
Op grond van het bovenstaande dient het verzoek tot wraking te worden afgewezen.
III. Beslissing
De rechtbank:
wijst af het verzoek tot wraking van mrs. X, Y en Z.
Deze beslissing is gegeven door mrs. R.M.L.M. Magnée (voorzitter), W.P.C.M. Bruinsma en L.A. Gruiters, in tegenwoordigheid van mr. L.G.H. Cox als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2003.