ECLI:NL:RBROE:2003:AF6148

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
24 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/017583-02
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4a Noodverordening BergenArt. 176 GemeentewetArt. 184 SrArt. 67 lid 1 SvArt. 96b Sv
Verwijzingen
14 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken verbindende kracht noodverordening bij doorzoeking bus

Op 24 maart 2003 heeft de politierechter te Roermond uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd verdacht van het opzettelijk niet voldoen aan een bevel zich te verwijderen uit de omgeving van een door opsporingsambtenaren te doorzoeken bus. Het bevel was gegeven op grond van artikel 4a van een noodverordening van de burgemeester van de gemeente Bergen, gedateerd 31 augustus 2002.

De rechtbank stelde vast dat de burgemeester krachtens artikel 176 van Pro de Gemeentewet bevoegd is om noodverordeningen te geven ter handhaving van de openbare orde, maar dat deze niet mogen afwijken van bij de Grondwet gestelde voorschriften. De doorzoeking van voertuigen vormt een inbreuk op het recht op privacy zoals beschermd in artikel 10 van Pro de Grondwet. De noodverordening bood echter geen voldoende grondslag voor deze inbreuk, waardoor artikel 4a van de noodverordening onverbindend werd geacht.

Bovendien bleek uit het onderzoek dat de doorzoeking niet was ingegeven door een ontdekking op heterdaad of een verdenking van een misdrijf zoals bedoeld in artikel 67 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor ontbrak een wettelijk voorschrift dat het bevel rechtmatig maakte. De politierechter verklaarde het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en sprak verdachte vrij.

De officier van justitie had subsidiair betoogd dat de noodverordening wel als wettelijk voorschrift moest worden beschouwd, maar dit werd verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van de grondwettelijke bescherming van privacy en de noodzaak van een juiste wettelijke basis voor opsporingsbevoegdheden.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens het ontbreken van een verbindend wettelijk voorschrift voor het bevel tot verwijderen uit de omgeving van de te doorzoeken bus.

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND
Parketnummer : 04/017583-02
uitspraak d.d. : 24 maart 2003
TEGENSPRAAK
VONNIS van de politierechter te Roermond, in de zaak tegen:
naam : [verdachte]
voornamen : [voornamen verdachte]
geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]
adres : [adres]
plaats : [woonplaats]
1. Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2003.
2. De tenlastelegging
De verdachte staat terecht ter zake dat:
hij op of omstreeks 01 september 2002 te Bergen, in elk geval in de gemeente Bergen L, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 4a van de Noodverordering van de Burgemeester van de gemeente Bergen L d.d. 31 augustus 2002, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door R.W.P. Wabeke (brigadier bij Politie Limburg-Noord), die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd zich te verwijderen uit de omgeving van een door die Wabeke en/of een of meer andere opsporingsambtenaren te doorzoeken bus, althans zich te bewegen naar een plaats waar hij, verdachte, voornoemde Wabeke en/of die andere opsporingsambtena(a)r(en) niet zou hinderen bij het doorzoeken van zijn, verdachtes,/een bus, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering;
(Art. 184 van Pro het Wetboek van Strafrecht)
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de politierechter verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.
3. De geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.
4. De bevoegdheid van de politierechter
Krachtens de wettelijke bepalingen is de politierechter bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.
5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.
6. Schorsing der vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.
7. Bewezenverklaring
De politierechter acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd.
De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
7.1. Bijzondere overweging
De officier van justitie heeft, zij het subsidiair, betoogt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het telastegelegde. De in telastelegging gebruikte woorden "krachtens een wettelijk voorschrift gegeven bevel", die daarin kennelijk worden gebezigd in dezelfde betekenis als aan die bewoordingen toekomt in art. 184 Sr Pro, kunnen enkel duiden op een wet in formele zin en niet op een APV of een noodverordening.
Het beroep op vrijspraak wordt verworpen.
In deze zaak heeft de burgemeester een noodverordening afgekondigd krachtens aan de burgemeester op grond van artikel 176 Gemeentewet Pro toegekende bevoegdheden. Met de term "wettelijk voorschrift" in artikel 184 Sr Pro. wordt bedoeld enig Nederlands wettelijk voorschrift. De voorschriften van de noodverordening hebben daarom te gelden als een wettelijk voorschrift in de zin van art. 184 Sr Pro.
Verdachte wordt, kort gezegd, telaste gelegd dat hij niet heeft voldaan aan het bevel zich te verwijderen uit de omgeving van een door de opsporingsambtenaren te doorzoeken personenbus. Deze doorzoeking vond plaats op grond van artikel 4a van de noodverordening van de burgemeester van de gemeente Bergen van 1 september 2002.
Nu ter zake door verdachte geen bestuursrechtelijke rechtsgang is gevolgd en er derhalve door de bestuursrechter geen onherroepelijke uitspraak is gedaan aangaande de verbindendheid van de noodverordening geldt het volgende. Bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van art. 184 Sr Pro dient onderzocht te worden of het in de tenlastelegging genoemde wettelijk voorschrift verbindend is en of het bevel rechtmatig is gegeven.
De betreffende noodverordening van 1 september 2002 luidt voor zover hier van belang:
"De burgemeester van Bergen (L.):
Overwegende
- dat sinds vrijdag 30 augustus 2002 tussen de Ceresweg, Ontginningsweg en de Oude Baan - plaatselijk bekend als Bergerheid - in de gemeente Bergen er een grote samenscholing plaatsvindt van personen, met de kennelijke bedoeling in het betreffend gebied een grootschalige houseparty te organiseren.
- (...)
- dat uit ervaringen elders in het land is gebleken dat vergelijkbare houseparty's hebben geleid tot (ernstige) verstoringen van de openbare orde en andere (ernstige) wanordelijkheden.
(...)
Gelet op artikel 176 van Pro de Gemeentewet;
BESLUIT
(...)
4a
1. Het is opsporingsambtenaren toegestaan, die daartoe door het bevoegde gezag zijn ingezet, voertuigen te controleren op de aanwezigheid van geluidsapparatuur in de ruimste zin des woords en tot in beslagneming daarvan over te gaan indien het vermoeden bestaat dat deze is gebruikt in strijd met artikel 2.1.4.1. van de Algemeen Plaatselijke Verordening Bergen.
2. De bevoegdheid van lid 1 omvat mede caravans, campers en andere voor tijdelijk verblijf en/of voor min of meer permanente woondoeleinden ingerichte voertuigen.
(...) "
Vooropgesteld moet worden dat de burgemeester op grond van art. 176 Gemeentewet Pro de bevoegdheid heeft ter handhaving van de openbare orde algemeen verbindende regels te geven. Bij een noodverordening kan, aldus artikel 176 Gemeentewet Pro, echter niet van bij de grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken. Het doorzoeken van voertuigen levert een (zij het beperkte) inbreuk op het recht op eerbiediging en bescherming van de persoonlijke levenssfeer van artikel 10 van Pro de Grondwet. Reeds in die zin dient artikel 4a van de noodverordening onverbindend te worden geacht.
Bovendien levert de bepaling van artikel 4a van de noodverordening een schending op van het recht op privé-leven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Gelet op artikel 8 lid 2 EVRM Pro is inmenging in het in eerste lid gegarandeerde recht slechts toegestaan dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is - voor zover hier van belang - ter voorkoming van wanordelijkheden.
De noodverordening voorziet daarin reeds in de in artikel 1 tot Pro en met 3 gegeven regels dat een ieder verplicht is op aanwijzingen van het daartoe bevoegde gezag zich te verwijderen uit het betreffend gebied en het verbod zich in dat gebied te begeven. Het valt niet in te zien dat de in artikel 4a aan opsporingsambtenaren gegeven bevoegdheid voertuigen te controleren op aanwezigheid van geluidsapparatuur nog noodzakelijk kan zijn ter voorkoming van wanordelijkheden waartoe de noodverordening diende. Temeer niet nu deze bevoegdheid werd uitgeoefend ten aanzien van voertuigen die op aanwijzingen van de ME reeds het terrein hadden verlaten of aan het verlaten waren.
Voorts biedt artikel 96b Sv. iedere opsporingsambtenaar de bevoegdheid in geval van ontdekking op heterdaad of in geval van een misdrijf van art. 67 lid 1 ter Pro inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken, dat de doorzoeking van de bus was ingegeven door een ontdekking op heterdaad of een verdenking ter zake van enig misdrijf van artikel 67 lid 1 Sv Pro.
De politierechter is op die grond van oordeel dat art. 4 a van de noodverordening verbindende kracht mist. Daardoor is niet bewezen dat de opsporingsambtenaar het bevel krachtens een wettelijk voorschrift heeft gegeven, zoals is telaste gelegd, en moet een vrijspraak volgen.
BESLISSING
De politierechter:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Vonnis gewezen door de politierechter mr. K. van der Meijde, in tegenwoordigheid van mr. N.F.M. Roelofs als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2003.