ECLI:NL:RBROE:2003:AI0652
Rechtbank Roermond
- Eerste aanleg - meervoudig
- O.M. de Lange
- J.H.J.M. Mertens-Steeghs
- J.H. Klifman
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens overtreding Wet toezicht kredietwezen door bedrijfsmatig aantrekken van gelden
De rechtbank Roermond behandelde een strafzaak waarin verdachte werd beschuldigd van het bedrijfsmatig aantrekken van op termijn opvorderbare gelden van het publiek zonder vergunning, in strijd met artikel 82 van Pro de Wet toezicht kredietwezen 1992. Het onderzoek vond plaats over meerdere zittingen tussen mei en juli 2003, waarbij honderden getuigen werden gehoord en uitgebreide bewijsmiddelen werden onderzocht.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van november 1995 tot september 1999 in verschillende gemeenten in Nederland en België, al dan niet samen met anderen, opzettelijk en bedrijfsmatig gelden heeft aangetrokken en/of ter beschikking heeft gehad zonder de vereiste vergunning. Verdachte werd vrijgesproken voor enkele specifieke benadeelde partijen genoemd in de dagvaarding. Het verweer dat verdachte geen opzet had werd verworpen; voldoende was voorwaardelijk opzet.
De rechtbank overwoog dat de activiteiten niet binnen een besloten kring plaatsvonden en dat ook zonder actieve werving het aanspreekbaar houden voor geïnteresseerden als aantrekken van gelden geldt. Verdachte was werkzaam als administratief medewerkster, maar de activiteiten vielen buiten haar normale werkzaamheden en werden beloond met provisie, wat duidt op bedrijfsmatigheid.
De rechtbank legde een voorwaardelijke taakstraf van 120 uur op, met een proeftijd van twee jaar, en vervangende hechtenis van 60 dagen bij niet-naleving. Tevens werd een maatregel van goedmaking opgelegd van €125.000 ten behoeve van de gerechtigden, met een regeling voor betaling via het Openbaar Ministerie. Benadeelde partijen werden verwezen naar de civiele rechter voor hun vorderingen, omdat deze niet eenvoudig genoeg waren voor strafprocesbehandeling.
De uitspraak benadrukte de ernst van het feit, de omvang van de fraude en het leed van de slachtoffers, evenals het belang van bescherming van het vertrouwen in de financiële sector. De lange duur van de procedure werd erkend, maar niet als reden voor niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 120 uur en een maatregel tot goedmaking van €125.000.