ECLI:NL:RBROE:2003:AN7738

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
25 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/060274-01
Instantie
Rechtbank Roermond
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 24d SrArt. 36e SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 365a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel door leidinggevende drugspanden

Een bedrijf verhuurt meerdere panden, waarvan twee panden werden gebruikt voor de handel in softdrugs. Ondanks kennis van deze illegale activiteiten en verzoeken van onder andere de gemeente, ondernam het bedrijf geen actie om dit te stoppen. De leidinggevende van het verhuurbedrijf werd veroordeeld wegens feitelijk leidinggeven aan een rechtspersoon die medeplichtig was aan de drugshandel.

De rechtbank stelde vast dat de huuropbrengsten uit deze panden als wederrechtelijk verkregen voordeel moesten worden aangemerkt. Hierbij werd aangesloten bij de periode waarin de leidinggevende zeker wist van de illegale handel en de opgegeven inkomsten uit verhuur aan de belastingdienst. Het voordeel werd vastgesteld op €141.382,60.

De verdediging voerde onder meer aan dat het onderzoek te lang had geduurd en dat het bewijs onrechtmatig was verkregen door onrechtmatige binnentreding van politie en Huurcommissie. De rechtbank verwierp deze verweren, oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden en dat het belang van de verdachte niet was geschaad door het betreden van de panden.

De rechtbank legde de verplichting op tot betaling van het bedrag aan de Staat, bij gebreke waarvan hechtenis voor 745 dagen volgt. De beslissing is gebaseerd op artikelen 24d en 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Leidinggevende veroordeeld en verplicht tot betaling van €141.382,60 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND
Parketnummer: 04/060274-01
Beslissing ex artikel 36e, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Roermond tegen:
[veroordeelde]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres],
aanhangig gemaakt bij ongedateerde vordering.
Onderzoek van de zaak.
De rechtbank heeft op 11 maart 2003 gehoord:
- de officier van justitie;
- [veroordeelde] voornoemd, bijgestaan door mr.ing. T.P. Klaasen, advocaat te Helden.
De rechtbank heeft kennis genomen van de processtukken, waaronder het vonnis van de rechtbank Roermond d.d. 25 maart 2003 in de zaak met parketnummer 04/060274-01, waarbij [veroordeelde] voornoemd is veroordeeld wegens:
ten aanzien van feit 1:
medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen, en:
medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen;
ten aanzien van feit 2:
medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en:
medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk behoort te worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat - gelet op het al lang lopende onderzoek, de reeds door de gemeente verrichte activiteiten en het onderzoek door justitie - sedert de perioden waarin de feiten zouden zijn gepleegd een te lange termijn is verstreken.
Naar het oordeel van de rechtbank neemt de redelijke termijn een aanvang op 15 mei 2001, zijnde de eerste handeling waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat de officier van justitie een strafvervolging tegen hem zal instellen. Sedert die datum en het tijdstip van behandeling van de zaak ter terechtzitting is weliswaar geruime tijd verstreken, doch de rechtbank is van oordeel dat er, gelet op de omstandigheid dat er in verband met deze zaak een uitgebreid onderzoek diende plaats te vinden en dit onderzoek met voldoende voortvarendheid is verlopen, geen sprake is van een zodanig tijdsverloop dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.
Bewijsmiddelen
Voor zover de beslissing is uitgewerkt, staan de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan de beslissing gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a, 365b en 511e van het Wetboek van Strafvordering.
Overweging ten aanzien van het bewijs.
De raadsman heeft betoogd dat het bewijs onrechtmatig is verkregen en tot vrijspraak van het tenlastegelegde dient te leiden, aangezien de politie en de Huurcommissie zonder toestemming van de verhuurders en de huurders het pand [pand 1] te Venlo en het pand [pand 2] te Venlo hebben betreden teneinde de Huurcommissie de huurwaarde te doen bepalen.
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat er geen strafvorderlijke bevoegdheid was tot het binnentreden in de woningen aan de [pand 1] te Venlo en de [pand 2] te Venlo, doch zulks leidt niet tot de gevolgen als door de raadsman aangevoerd. Nu het niet door verdachte bewoonde woningen heeft betroffen, is door de handelwijze van politie en de Huurcommissie geen, in deze strafzaak rechtens te beschermen, belang van verdachte geschaad.
Motivering van de maatregel.
Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [veroordeelde] voornoemd voordeel heeft gekregen door middel van de strafbare feiten waarvoor hij bij voormeld vonnis is veroordeeld, alsmede soortgelijke feiten.
Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt dat [veroordeelde] er vanaf 4 november 1993 van op de hoogte was dat er vanuit het pand [pand 2] te Venlo werd gehandeld in verdovende middelen. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van dit pand in ieder geval met betrekking tot de vanaf 1 december 1993 ontvangen huuropbrengsten sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ten aanzien van het pand [pand 3] te Venlo is [veroordeelde] sedert 25 september 1997 door middel van een brief van de gemeente Venlo op de hoogte gesteld van de handel in verdovende middelen vanuit het pand [pand 3] te Venlo, zodat de rechtbank ten aanzien van dit pand van oordeel is dat met betrekking tot de vanaf 1 oktober 1997 ontvangen huuropbrengsten sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank heeft overwogen dat aan het gebruik van de woning ten behoeve van de handel in verdovende middelen wellicht niet onmiddellijk door verdachte een eind kon worden gemaakt, maar heeft hieraan geen gevolgen verbonden, nu verdachte heeft nagelaten daadwerkelijk actie te ondernemen.
Uitgaande van de huuropbrengsten volgens de ingediende aangiften inkomstenbelasting van [veroordeelde] voornoemd en de beschikbare huurovereenkomsten schat de rechtbank het voordeel op de volgende bedragen:
ten aanzien van het pand [pand 2] te Venlo over de periode van 1 december 1993 tot 1 mei 2001:
1993: f. 2.750,--
1994: f. 39.000,--
1995: f. 30.000,--
1996: f. 42.000,--
1997: f. 36.900,--
1998: f. 38.460,--
1999: f. 36.435,--
2000: f. 32.501,25
2001: f. 13.500,--
------------------
Totaal f. 271.546,25 = EUR 123.222,32;
ten aanzien van het pand [pand 3] te Venlo over de periode van 1 oktober 1997 tot 1 mei 2001:
1997: f. 6.000,--
1998: f. 19.136,--
1999: f. 14.884,--
2000: f. 0,--
2001: f. 0,--
------------------
Totaal f. 40.020,-- = € EUR 18.160,28
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op: EUR 123.222,32 + € EUR 18.160,28 = €EUR 141.382,60.
Toegepaste wetsartikelen.
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 24d en 36e van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
De meervoudige strafkamer:
stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € EUR 141.382,60;
legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van EUR€ 141.382,60, bij gebreke van volledige betaling of verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 745 dagen, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij door middel van de strafbare feiten en soortgelijke feiten heeft verkregen.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, mr. F. Oelmeijer en mr. D.C.M. Bomans, van wie mr. D.C.M. Bomans voorzitter, in tegenwoordigheid van P.J.T. Frijns als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2003.
Mr. Oelmeijer is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.