ECLI:NL:RBROE:2003:AO1116
Rechtbank Roermond
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.H.J. Frenay
- J.H. Klifman
- B.L.G. Moolhuysen
- Rechtspraak.nl
Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens overschrijding redelijke termijn bij ontnemingsvordering
De rechtbank Roermond behandelde een zaak waarin het openbaar ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel had ingediend. De veroordeelde was sinds eind december 1999 op de hoogte van het strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) tegen hem en kon vanaf dat moment een vervolging verwachten.
Het onderzoek werd afgerond in augustus 2001, waarna het openbaar ministerie de ontnemingsvordering niet spoedig aanhangig maakte. De zaak lag ruim 28 maanden onaangeroerd, ondanks dat de vordering binnen de wettelijke termijn van twee jaar werd ingediend. De rechtbank oordeelde dat dit niet spoedig genoeg was en dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden.
De verdediging voerde aan dat de termijn op 12 november 1999 begon, maar de rechtbank stelde vast dat de aanvangsdatum eind december 1999 was, toen de veroordeelde daadwerkelijk op de hoogte kwam van het SFO en het conservatoir beslag.
De rechtbank concludeerde dat het openbaar ministerie de ontnemingsvordering uiterlijk in augustus 2001 had moeten aanbrengen, wat ook mogelijk was gezien de aard van het onderzoek en de rechtshulpverzoeken. Door het langdurig stilzitten werd een bijzondere schending van de redelijke termijn vastgesteld, waarop als enige sanctie niet-ontvankelijkheid volgde.
De rechtbank verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de ontnemingsvordering.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de ontnemingsvordering.