ECLI:NL:RBROE:2004:AR2969

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
25 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04 / 862 en 04 / 863 WVG V1
Instantie
Rechtbank Roermond
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • E.J.A.M. Bakermans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:86 AwbWet voorzieningen gehandicapten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking vervoersvoorziening wegens ontbreken uitlooptermijn

Verzoekster ontving sinds 1994 een tegemoetkoming in vervoerskosten op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten. Na een herbeoordeling in 2004 concludeerde de GGD dat zij gebruik kon maken van het openbaar vervoer, waarna de gemeente besloot de voorziening per 1 april 2004 in te trekken.

De rechtbank oordeelt dat hoewel intrekking gerechtvaardigd is, het besluit te abrupt is genomen zonder een redelijke uitlooptermijn. Verzoekster was tien jaar gewend aan de voorziening en had geen aanleiding rekening te houden met intrekking.

De rechtbank stelt dat een uitlooptermijn van een jaar passend is om de belangen van verzoekster te waarborgen. Het besluit tot intrekking wordt daarom vernietigd en de gemeente wordt opgedragen opnieuw op bezwaar te beslissen met inachtneming van deze overwegingen.

Daarnaast wordt de voorlopige voorziening toegewezen waardoor de vervoersvoorziening wordt voortgezet totdat op het bezwaar is beslist. Verzoekster krijgt tevens vergoeding van de griffierechten.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de vervoersvoorziening wordt vernietigd en de voorziening wordt voortgezet totdat op bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank inzake toepassing van artikel 8:84 en Pro 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht.
Procedurenr. : 04 / 862 en 04 / 863 WVG V1
Inzake : A w/v B, wonende te C, verzoekster,
tegen : Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roggel en Neer, verweerder.
Datum en aanduiding van het bestreden besluit ter zake waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd:
De brief d.d. 16 juni 2004,
kenmerk: WOS/CT.
Datum van behandeling ter zitting: 23 augustus 2004.
I. PROCESVERLOOP
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 16 juni 2004 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen een besluit van 16 maart 2004 ongegrond verklaard.
Tegen het besluit is door verzoekster bij schrijven van 25 juli 2004 een beroepschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij deze rechtbank. Tevens heeft verzoekster zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van Pro de Awb.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van Pro de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoekster gezonden.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 augustus 2004, waar geen van partijen is verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Verzoekster is sedert 1 april 1994 in het genot van een tegemoetkoming in de vervoerskosten in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg).
Voordien genoot verzoeksters deze tegemoetkoming in het kader van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Bij het aan de toekenning vooraf gaande onderzoek d.d. 21 april 1994 door een arts van de GGD werd aangegeven dat een herbeoordeling over een jaar gewenst was. Die herbeoordeling heeft eerst in maart 2004 plaatsgevonden en daarbij is aangegeven dat betrokkene in staat moet worden geacht gebruik te kunnen maken van het openbaar vervoer.
Bij besluit van 16 maart 2004 is daarop besloten de forfaitaire vergoeding met ingang van 1 april 2004 te beëindigen. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 16 juni 2004 ongegrond verklaard. Daartegen is beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
In artikel 8:81 van Pro de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Awb is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de rechter is partijen gewezen in de kennisgeving van behandeling ter zitting.
Na de kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de rechter van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De rechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.
Met betrekking tot die hoofdzaak wordt het volgende overwogen.
Op grond van de gedingstukken staat ook voor de voorzieningenrechter vast dat verzoekster weliswaar beperkingen heeft, maar dat die niet zodanig zijn dat zij geen gebruik zou kunnen maken van het openbaar vervoer. Het rapport van 2 maart 2004 van de GGD regio Noord- en Midden-Limburg biedt daarvoor voldoende steun en de door de huisarts van verzoekster verstrekte gegevens doen daar niet aan af. Op grond van vorenstaande overwegingen was er voor verweerder dan ook voldoende aanleiding om over te gaan tot intrekking van de verleende vervoersvoorziening.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder echter ten onrechte bij het besluit van 16 maart 2004 besloten die voorziening per 1 april 2004 in te trekken. Daartoe wordt het volgende overwogen. Verzoekster is door verweerder vanaf 1 april 1994 in aanmerking gebracht voor een tegemoetkoming in de vervoerskosten en hoewel reeds bij de beoordeling in april 1994 werd aangegeven dat een herbeoordeling na een jaar gewenst was heeft verweerder eerst in december 2003 aan de GGD verzocht om een herbeoordeling naar de noodzaak van de continuering van de voorziening. De uitkomst van die herbeoordeling is, zoals reeds vermeld, dat er geen medische noodzaak voor voortzetting van de voorziening bestaat. Dat is, zoals ook al aangegeven, voor verweerder voldoende grond om tot intrekking van de voorziening over te gaan, maar hoewel er in de Verordening Voorzieningen Gehandicapten Gemeente Roggel en Neer 2001 geen bepaling is opgenomen op grond waarvan bij het niet langer voldoen aan voorwaarden om in aanmerking te komen voor een voorziening bij de intrekking daarvan een uitlooptermijn dient te worden gegeven dient verweerder wel stil te staan bij de vraag of er aanleiding is gebruik te maken van de artikel 8.1 van de Verordening gegeven bevoegdheid om in bijzondere gevallen ten gunste van de gehandicapte van de verordening af te wijken terwijl hij voorts er ook op dient op toe te zien dat hij niet handelt in strijd met geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.
In het onderhavige geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in strijd met de zorgvuldigheid handelt door de verleende voorziening zonder een ruime uitlooptermijn in te trekken. Immers verzoekster is gedurende een periode van tien jaar in het genot is geweest van een tegemoetkoming in de taxikosten en in genoemde periode heeft tussen april 1994 en begin 2004 geen onderzoek naar de noodzaak van de voortzetting van die voorziening plaatsgevonden. Voor verzoekster was er dan ook geen aanleiding om rekening te houden met de mogelijkheid dat de verleende voorziening zou worden ingetrokken. In dat licht bezien moet de intrekking van de voorziening bij besluit van 16 maart 2004 met ingang van 1 april 2004 dermate abrupt geacht worden dat het besluit daartoe op dat punt de toets die de rechter hier toekomt niet kan doorstaan. Er is sprake van een aanmerkelijke verslechtering in de situatie van verzoekster, waarop verzoekster niet de tijd is gegeven zich daarop in te stellen. Verweerder kon dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet besluiten de verleende voorziening in te trekken zonder daarbij een ruime uitlooptermijn te hanteren, temeer niet nu verzoekster door het stilzitten van verweerder de onderhavige voorziening tien jaar lang heeft genoten. Gelet daarop zou naar het oordeel van de voorzieningenrechter een uitlooptermijn van een jaar in overeenstemming zijn met de aan een besluitvorming als de onderhavige te stellen eisen van zorgvuldigheid.
Gelet op het vorenstaande kan het besluit op bezwaar, waarbij de intrekking van de vervoersvoorziening per 1 april 2004 is gehandhaafd, wegens strijd met de zorgvuldigheid niet in stand blijven. Dat besluit zal dan ook worden vernietigd met de opdracht aan verweerder om opnieuw op het bezwaar van verzoekster te beslissen.
Gelet op het vorenstaande is er tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de bij besluit van 16 maart 2004 per 1 april 2004 ingetrokken vervoersvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een taxi of eigen vervoer in elk geval wordt voortgezet totdat opnieuw op het bezwaar zal zijn beslist.
Beslist wordt derhalve als aangegeven in rubriek III.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond;
gelet op het bepaalde in de artikelen 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is gesteld;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
bepaalt dat de per 1 april 2004 ingetrokken vervoersvoorziening wordt voortgezet totdat opnieuw op het bezwaar zal zijn beslist;
bepaalt dat verweerders gemeente aan verzoekster het door deze gestorte griffierecht, zowel in de bodemzaak als het verzoek om een voorlopige voorziening, ten bedrage van € 37,00 in elke zaak, volledig vergoedt.
Aldus gedaan door mr. E.J.A.M. Bakermans in tegenwoordigheid van mr. A.R.O. Kuipers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2004.
Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:
verzonden op: 25 augustus 2004
hw
Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen de uitspraak in hoofdzaak het rechtsmiddel hoger beroep open bij Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken. Voor het overige staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.