ECLI:NL:RBROE:2004:AR6874

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
30 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/068002-04 ontneming
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrWet milieubeheer
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wegens ontbreken wederrechtelijk voordeel bij gebruik bitumengranulaat

De rechtbank Roermond behandelde een zaak waarin de officier van justitie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel had ingesteld tegen [verdachte] BV. De vordering was gebaseerd op het gebruik van bitumengranulaat als erfverharding, dat volgens de officier van justitie een afvalstof zou zijn die gestort had moeten worden.

De rechtbank oordeelde echter dat het bitumengranulaat niet als afvalstof kon worden beschouwd, waarmee de grondslag voor de ontnemingsvordering verviel. Daarnaast bleek tijdens de terechtzitting dat het granulaat door verdere bewerking geschikt kon worden gemaakt voor toepassing in de asfaltindustrie. Ook beschikte [verdachte] BV ten tijde van de feiten over voldoende opslagcapaciteit, waardoor er geen noodzaak was om het granulaat te storten.

Gezien deze feiten stond niet vast dat de verdachte stortkosten had bespaard en aldus wederrechtelijk voordeel had genoten. De rechtbank wees daarom de vordering van de officier van justitie af. De beslissing werd uitgesproken door drie rechters tijdens een openbare terechtzitting op 30 november 2004.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming af wegens het ontbreken van wederrechtelijk voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND
Parketnummer: 04/068002-04
Uitspraak: 30 november 2004
Beslissing ex artikel 36e van
het Wetboek van Strafrecht
in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Roermond tegen:
[verdachte] BV,
gevestigd te [vestigingsadres].
Onderzoek van de zaak.
De rechtbank heeft op 16 november 2004 gehoord:
- de officier van justitie,
- R.M.J.M. Smits, vertegenwoordiger van [verdachte] BV, voornoemd, bijgestaan door mr. M. Bos, advocaat te Rosmalen.
De rechtbank heeft kennis genomen van de processtukken, waaronder het vonnis van de rechtbank Roermond d.d. 30 november in de zaak met parketnummer 04/068002-04, waarbij [verdachte] BV voornoemd is veroordeeld wegens medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 6 van Pro de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
Verweren.
Door de raadsman is ter terechtzitting betoogd dat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen, nu er op grond van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen voor bitumineus dakafval een stortverbod geldt.
De rechtbank verwerpt dit verweer, nu ter terechtzitting is gebleken dat voormeld stortverbod voor bitumineus dakafval in Limburg eerst sinds september 2004 geldt.
Voorts heeft de raadsman aangegeven dat als het granulaat niet had kunnen worden toegepast als erfverhardingsmateriaal, dit zou zijn opgeslagen in de inrichting van [verdachte] BV.
Uitgangspunt van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel is dat het als erfverharding aangewende bitumengranulaat een afvalstof is die gestort had moeten worden. Nu de rechtbank in de strafzaak heeft geoordeeld dat in casu het bitumengranulaat niet beschouwd kan worden als een afvalstof, komt om die reden reeds de grondslag aan de vordering tot ontneming te vervallen.
Daarbij komt nog dat ter terechtzitting is gebleken dat het door [verdachte] BV als erfverharding gebruikte granulaat door verdere bewerking geschikt kon worden gemaakt voor toepassing in de asfaltindustrie. Bovendien is ter terechtzitting gebleken dat [verdachte] BV ten tijde van de gepleegde feiten nog over voldoende opslagcapaciteit beschikte, zodat er geen noodzaak was om het granulaat te storten op een stortplaats.
Gelet hierop staat niet vast dat verdachte stortkosten heeft bespaard en zo wederrechtelijk voordeel heeft genoten.
De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie afwijzen.
BESLISSING
De meervoudige economische kamer:
wijst af de vordering van de officier van justitie.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.J.A.G. van Baal, I.M. Koopmans en Y.J.C.A. Roeffen, rechters, van wie mr. I.M. Koopmans voorzitter, in tegenwoordigheid van
C. van Est als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 30 november 2004.