ECLI:NL:RBROE:2005:AT6599

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
20 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/057550-03
Instantie
Rechtbank Roermond
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.J.M. Ruyters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 8 Wvw 1994Art. 9 Wvw 1994Art. 30 WAMArt. 311 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering wegens ontbreken voordeel bij onverzekerd rijden

De politierechter te Roermond behandelde een ontnemingsvordering van het openbaar ministerie tegen een verdachte die onverzekerd reed met een motorrijtuig op 8 december 2003. De officier van justitie had het voornemen tot ontneming kenbaar gemaakt tijdens de strafzaak, maar niet bij eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten. De rechter oordeelde dat het ontnemen van voordeel uit soortgelijke feiten waarvoor al is veroordeeld, maar zonder ontnemingsmaatregel, strijdig is met de strekking van de maatregel.

De kern van de zaak betrof de vraag of het besparen van de premie door het niet afsluiten van een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen als onrechtmatig verkregen voordeel kan worden beschouwd. De politierechter stelde vast dat tegenover het besparen van premie staat dat er geen recht op dekking bestaat bij schade, zodat er per saldo geen voordeel is. Dit betekent dat de bespaarde premie niet als voordeel in de zin van artikel 36e Wetboek van Strafrecht kan worden gezien.

De rechter verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk voor het deel van de vordering dat betrekking had op eerdere perioden en wees de vordering voor het overige af. Hiermee werd bevestigd dat de ontnemingsmaatregel niet kan worden toegepast op het besparen van kosten die gepaard gaan met het niet afsluiten van een verplichte verzekering.

Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen omdat het besparen van verzekeringspremie geen voordeel oplevert in de zin van artikel 36e Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND
Parketnummer: 04/057550-03
Uitspraak: 20 mei 2005
Beslissing ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Roermond tegen:
[voornamen] [naam verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres],
Onderzoek van de zaak.
De politierechter heeft op 22 april 2005 gehoord:
- de officier van justitie
- de raadsman van [naam verdachte] voornoemd, mr. P.C. Saris, advocaat te Eindhoven.
De politierechter heeft kennis genomen van de processtukken, waaronder het vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond d.d. 9 maart 2005 in de zaak met parketnummer 04/057550-03, waarbij [naam verdachte] is veroordeeld wegens overtreding van artikel 9, eerste lid, artikel 9, tweede lid en artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede voor overtreding van artikel 30 van Pro de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (het als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden). De onderhavige vordering van het openbaar ministerie heeft betrekking op het laatstgenoemde feit (onverzekerd rijden), hetgeen gepleegd werd op 8 december 2003.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie voor het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op het onverzekerd rijden met kenteken [Kenteken 1] (periode 07-03-1996 tot 05-08-1996) niet-ontvankelijk is. Hetzelfde moet gelden voor het onverzekerd rijden met de personenauto kenteken [Kenteken 2], in de periode van 24-04-2001 tot heden.
Naar aanleiding van dit verweer overweegt de politierechter het volgende.
De ontnemingsprocedure is het sequeel van de strafzaak. Voor de ontnemingsprocedure geldt dat, voor zover dat aan verdachte niet al eerder kenbaar is gemaakt, de officier van justitie ingevolge artikel 311 van Pro het Wetboek van Strafvordering uiterlijk bij het requisitoir in de strafzaak kenbaar dient te maken of hij voornemens is een dergelijke vordering aanhangig te maken.
De politierechter stelt vast dat de officier van justitie ter terechtzitting van 9 maart 2004 die betrekking had op het feit gepleegd op 8 december 2003, heeft aangekondigd voornemens te zijn een ontnemingsvordering tegen verdachte aanhangig te maken. De politierechter stelt op grond van het proces-verbaal van de Regiopolitie Limburg-Noord, dossiernummer 04-007409 tevens vast dat een dergelijke voornemen niet kenbaar is gemaakt bij de eerdere veroordelingen voor dezelfde feiten. De politierechter gaat er dan ook vanuit dat het openbaar ministerie niet heeft beoogd in die zaken een ontnemingsvordering in te stellen.
Het is naar oordeel van de politierechter in strijd met de strekking van de ontnemingsmaatregel om het voordeel te ontnemen uit "soortgelijke feiten" waarvoor verdachte reeds is veroordeeld, maar die niet tot toepassing van een ontnemingsmaatregel hebben geleid, waar dit laatste wel mogelijk is geweest. Gelet op bovenstaande is de politierechter van oordeel dat de officier van justitie enkel ontvankelijk is in zijn vordering voor zover deze betrekking heeft op de periode die, gelet op de mogelijkheden die artikel 36e Wetboek van Strafrecht biedt, voortvloeit uit de veroordeling voor het feit gepleegd op 8 december 2003, te weten de periode vanaf 15 oktober 2003.
Bewijsmiddelen.
Voor zover de beslissing is uitgewerkt, staan de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan de beslissing gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a, 365b en 511e van het Wetboek van Strafvordering.
Verweren.
Door de raadsman is ter terechtzitting betoogd dat van 'voordeel' in de zin van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht geen sprake is en het deel van de vordering waarvoor de officier van justitie wel ontvankelijk is derhalve dient te worden afgewezen.
De politierechter overweegt hieromtrent het volgende. De maatregel van artikel 36e Wetboek van Strafrecht strekt ertoe te bereiken dat de veroordeelde in de vermogenspositie wordt gebracht die zou hebben bestaan indien hij niet onrechtmatig had gehandeld. [naam verdachte] heeft in strijd met hetgeen de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen voorschrijft, nagelaten een verzekeringsovereenkomst te sluiten voor de dekking van zijn risico van wettelijke aansprakelijkheid voor motorrijtuigen. Door het (wél) afsluiten van zulk een - wederkerige - overeenkomst zou [naam verdachte] civielrechtelijk weliswaar gehouden zijn tot premiebetaling, doch zou hij tevens gerechtigd zijn geweest tot de door de verzekeraar verschuldigde prestatie van dekking van het verzekerde risico van wettelijke aansprakelijkheid voor de schade veroorzaakt door het aldus verzekerde motorrijtuig. Tegenover het besparen van verzekeringspremie staat dat er ook geen recht is op dekking bij schade, zodat er per saldo geen voordeel is door het achterwege laten van het sluiten van de verzekering. Gelet op deze civielrechtelijke consequenties van het niet aangaan van een verzekeringsovereenkomst in de zin van art. 2 van Pro de Wet aansprakelijkheids-verzekering motorrijtuigen, is de politierechter van oordeel dat de bespaarde premie niet kan worden gezien als voordeel in de zin van artikel 36e Wetboek van Strafrecht waaronder begrepen de besparing van kosten. De politierechter zal de vordering dan ook afwijzen.
BESLISSING.
De politierechter verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk voor het gedeelte van de vordering als voornoemd en wijst de vordering voor het overige af.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.J.M. Ruyters, in tegenwoordigheid van mr. E.F.D. Engelhard als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2005