ECLI:NL:RBROE:2005:AU3742

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
25 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/976402-05
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 SvArt. 21 Regeling tijdelijk verlaten van de inrichtingPenitentiaire beginselenwet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid rechter tot schorsing voorlopige hechtenis bij incidenteel verlof

De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, verzocht de rechtbank om schorsing van deze hechtenis om incidenteel verlof te verkrijgen voor het bijwonen van de huwelijkssluiting van zijn beste vriend. De directeur van de inrichting weigerde verlof te verlenen omdat de reden niet in de limitatieve opsomming van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting stond. De rechtbank overwoog dat artikel 21, lid 1 van deze Regeling incidenteel verlof mogelijk maakt voor bijzondere gebeurtenissen in de persoonlijke sfeer waarbij aanwezigheid noodzakelijk is, en dat de opsomming in de artikelen 23 tot en met 31 niet limitatief is.

De rechtbank concludeerde dat het verzoek van de verdachte valt binnen de reikwijdte van de Regeling en dat de rechter op grond van artikel 80, lid 6, van het Wetboek van Strafvordering niet bevoegd is schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen in gevallen waarin verlof kan worden verleend krachtens de Penitentiaire beginselenwet. Daarom verklaarde de rechtbank zich niet bevoegd om de schorsing te bevelen.

Deze uitspraak benadrukt dat de beslissing over incidenteel verlof bij bijzondere persoonlijke gebeurtenissen primair bij de directeur van de inrichting ligt en niet bij de rechter, ook als de reden niet expliciet in de opsomming van de Regeling voorkomt.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich niet bevoegd schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen bij incidenteel verlof.

Uitspraak

Rechtbank Roermond
Parketnummer: 04/976402-05
Beschikking van de rechtbank Roermond op het verzoekschrift in de zaak van de verdachte:
Naam : [naam]
Geboortedatum : [geboortedatum]
Geboorteplaats : [geboorteplaats]
Thans verblijvende in de P.I. Limburg- Zuid - HvB Overmaze te Maastricht (c.q. enig ander huis van bewaring in Nederland).
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis krachtens een bevel tot verlenging van de gevangenhouding d.d. 14 april 2005. Bij het verzoekschrift d.d. 17 augustus 2005 is de rechtbank verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte te bevelen.
De rechtbank heeft op 25 augustus 2005 de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door diens raadsman mr. P.M. Szymkowiak, advocaat te Maastricht, gehoord.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de processtukken.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 80 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan de rechter bevelen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst.
Sinds 1 juli 2005 bepaalt het 6e lid van dit artikel -kort gezegd- dat de rechter een dergelijk bevel niet kan geven in de gevallen waarin verlof kan worden verleend op grond van het bepaalde bij of krachtens de Penitentiaire beginselenwet (Pbw).
In de krachtens de Pbw geldende "Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting" (de Regeling) bepaalt artikel 21, eerste lid: "Incidenteel verlof kan worden verleend voor het bijwonen van gebeurtenissen in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde, waarbij zijn aanwezigheid noodzakelijk is".
De wetsgeschiedenis bij dit artikel geeft de navolgende toelichting:
"Het incidenteel verlof beoogt de gedetineerde in staat te stellen om bijzondere gebeurtenissen in de persoonlijke sfeer bij te wonen, althans voor zover zijn aanwezigheid daarbij om redenen van humane aard of met het oog op resocialisatie noodzakelijk wordt geacht. Hoewel de meest gangbare gronden voor het verlenen van incidenteel verlof in de artikelen 23 tot en met 31 van deze regeling zijn opgesomd, wordt niet uitgesloten dat ook andere gebeurtenissen de aanleiding kunnen vormen voor het verzoeken om en verlenen van incidenteel verlof".
Het onderhavige verzoek is gericht tot de rechtbank op grond van de stelling dat de Regeling limitatief de gebeurtenissen opsomt waarvoor een verzoek tot incidenteel verlof kan worden verleend. Daarbij is voorts aangevoerd dat de directeur van inrichting waar de verdachte thans verblijft al het standpunt heeft ingenomen dat hij niet bevoegd is om verlof te verlenen, omdat de daarvoor door de verdachte aangevoerde reden (het bijwonen van de huwelijkssluiting van verdachtes beste vriend) niet in de opsomming van de regeling voor komt.
De rechtbank is van oordeel dat de door de verdachte aangevoerde reden valt binnen de reikwijdte van het in artikel 21, lid 1 van de Regeling bepaalde. De in de regeling gegeven opsomming is -gezien de bovengeciteerde toelichting daarbij- niet limitatief te achten.
Het onderhavige verzoek dient dan ook te worden aangemerkt als een geval waarin verlof kan worden verleend op grond van het bepaalde bij of krachtens de Regeling. Dan is de rechter ingevolge het bepaalde in artikel 80, lid 6, van het Wetboek van Strafvordering niet bevoegd schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing.
De rechtbank:
verklaart zich niet bevoegd schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen.
Deze beschikking is gegeven op 25 augustus 2005 door mrs. M.J.A.G. van Baal, D.C.M. Bomans en Y.J.C.A. Roeffen, rechters, waarvan mr. D.C.M. Bomans voorzitter, en P. van Kaam-Wolfswinkel als griffier.