ECLI:NL:RBROE:2006:AW2485

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
19 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
72683 / KG ZA 06 - 48
Instantie
Rechtbank Roermond
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 1 en 2 Wet op de Lijkbezorging
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid en bestemming as bij ontbreken wens overledene

Op 9 november 2005 overleed de moeder van eiser en echtgenote van gedaagde. De as van de overledene berust bij het crematorium te Baexem, waarop conservatoir derdenbeslag is gelegd door eiser. Eiser betwist dat de overledene de wens had haar as op het uitstrooiveld bij het crematorium te Baexem te verstrooien en betwist tevens dat gedaagde als echtgenoot de meest gerede partij is om hierover te beslissen.

Gedaagde voert verweer en stelt dat de wens van de overledene was om de as te verstrooien te Baexem. De rechtbank stelt vast dat de overledene haar wens omtrent de asbestemming niet schriftelijk heeft vastgelegd, waardoor de vermoedelijke wens op andere wijze moet worden vastgesteld, hetgeen in kort geding niet mogelijk is.

De rechtbank wijst de vordering van eiser af en overweegt dat bij onzekerheid over de wens van de overledene de beslissing over de asbestemming naar redelijkheid en met afweging van gevoelens en belangen van alle nabestaanden moet plaatsvinden. De bevoegdheid om over de asbestemming te beslissen ligt in beginsel bij de levensgezel, die hierbij de belangen van alle nabestaanden moet betrekken.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte als voorzieningenrechter en uitgesproken op 19 april 2006.

Uitkomst: Vordering afgewezen wegens ontbreken schriftelijke wens overledene en onvoldoende bewijs vermoedelijke wens.

Uitspraak

uitspraak: 19 april 2006
V O N N I S
in kort geding van de rechtbank Roermond
in de zaak van:
eiser:
[eiser],
wonende te [woonplaats], [adres],
procureur: mr. T.J.J. Dierichs;
tegen:
gedaagde:
[gedaagde],
wonende te [woonplaats], [adres],
procureur: mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen.
Partijen worden als volgt aangeduid:
eiser: [eiser];
gedaagde: [gedaagde].
1. Inhoud van het procesdossier
Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 23 maart 2006;
- de stukken van het ten laste van [gedaagde] onder het Crematorium Midden-Limburg B.V. gelegde conservatoir derdenbeslag;
- de pleitnota, die tijdens de mondelinge behandeling op de openbare zitting van 12 april door mr Ter Meulen-Mouwen is overgelegd.
2. Vaststaande feiten
De rechter gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten:
Op 9 november 2005 is de moeder van [eiser] en echtgenote van [gedaagde], overleden. [de overledene] is gecremeerd en haar as berust thans in het Crematorium Midden-Limburg B.V., Kasteelweg 10 te 6095 ND Baexem. Op de as van [de overledene] is onder het Crematorium Midden-Limburg B.V. conservatoir derden-beslag gelegd.
3. Vordering en stellingen van [eiser]
[eiser] stelt en vordert overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, die aan dit vonnis is gehecht. De raadsman heeft op de zitting een nadere toelichting gegeven.
Die toelichting houdt samengevat het volgende in.
[eiser] betwist dat het de uitdrukkelijke wens van moeder is dat haar as wordt uitgestrooid op het uitstrooiveld bij het crematorium te Baexem. Volgens [eiser] is dit de wens van [gedaagde]. [eiser] betwist eveneens dat het voornemen van [gedaagde] om de as van moeder uit te strooien door zijn zus wordt onderschreven. [eiser] betwist dat [gedaagde] als echtgenoot van moeder de meest gerede partij is om over de bestemming van de as van moeder te beslissen.
4. Verweer van [gedaagde]
De raadsvrouwe heeft op de zitting aan de hand van een pleitnota, waarnaar wordt verwezen, het gevorderde bestreden.
5. Beoordeling van het geschil
Ingevolge artikel 18 lid 1 en Pro 2 van de Wet op de Lijkbezorging geschiedt de lijkbezorging en de bestemming van de as overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden.
Deze wens van de overledene vormt de primaire discussie tussen partijen: [gedaagde] stelt dat zijn overleden echtgenote verstrooid wenste te worden te Baexem terwijl dit door [eiser] wordt betwist.
Vast staat dat de overledene haar wens omtrent de bestemming van haar as niet op schrift heeft gesteld. Het achterhalen van de vermoedelijke wens van de overledene dient derhalve op andere wijze te geschieden. Dit noodzakelijk nader onderzoek gaat het kader van een kort geding echter te buiten. Reeds hierom dient de vordering van [eiser] te worden afgewezen.
Gezien de door partijen ingenomen standpunten valt volstrekt niet uit te sluiten dat de vermoedelijke wens van de overledene ook na nader te verrichten onderzoek niet komt vast te staan. In dat geval zal naar redelijkheid en met afweging van de gevoelens en belangen van de nabestaanden, over de bestemming van de as dienen te worden beslist. Dit staat los van de bevoegdheid om over de lijkbezorging -in casu de asbestemming- te beslissen, welke conform de door [gedaagde] geciteerde rechtspraak in beginsel bij de levensgezel ligt. Bij gebruikmaking van de beslissingsbevoegdheid dient [gedaagde] -in het geval van het ontbreken van zekerheid over de wens van de overledene- derhalve de gevoelens en belangen van alle nabestaanden te betrekken. De rechter stelt vast dat dit derhalve de gevoelens en belangen zijn niet enkel van partijen maar tevens van de niet in dit geding betrokken dochter van [gedaagde] en diens overleden echtgenote. Ook dit aspect staat aan een inhoudelijke beslissing in deze zaak aan de weg.
In de familierechtelijke verhouding tussen partijen ziet de rechter aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
B E S L I S S I N G
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen af;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte als voorzieningenrechter en door deze op de openbare civiele terechtzitting van 19 april 2006 uitgesproken in aanwezigheid van H.M.M. Muijzers als griffier.
Type: HMUI