ECLI:NL:RBROE:2006:AW2485
Rechtbank Roermond
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en bestemming as bij ontbreken wens overledene
Op 9 november 2005 overleed de moeder van eiser en echtgenote van gedaagde. De as van de overledene berust bij het crematorium te Baexem, waarop conservatoir derdenbeslag is gelegd door eiser. Eiser betwist dat de overledene de wens had haar as op het uitstrooiveld bij het crematorium te Baexem te verstrooien en betwist tevens dat gedaagde als echtgenoot de meest gerede partij is om hierover te beslissen.
Gedaagde voert verweer en stelt dat de wens van de overledene was om de as te verstrooien te Baexem. De rechtbank stelt vast dat de overledene haar wens omtrent de asbestemming niet schriftelijk heeft vastgelegd, waardoor de vermoedelijke wens op andere wijze moet worden vastgesteld, hetgeen in kort geding niet mogelijk is.
De rechtbank wijst de vordering van eiser af en overweegt dat bij onzekerheid over de wens van de overledene de beslissing over de asbestemming naar redelijkheid en met afweging van gevoelens en belangen van alle nabestaanden moet plaatsvinden. De bevoegdheid om over de asbestemming te beslissen ligt in beginsel bij de levensgezel, die hierbij de belangen van alle nabestaanden moet betrekken.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte als voorzieningenrechter en uitgesproken op 19 april 2006.
Uitkomst: Vordering afgewezen wegens ontbreken schriftelijke wens overledene en onvoldoende bewijs vermoedelijke wens.