ECLI:NL:RBROE:2006:AY3794
Rechtbank Roermond
- Eerste aanleg - meervoudig
- L.J.A. Crompvoets
- C.M.W. Nobis
- E.P.J. Rutten
- Rechtspraak.nl
Nietigheid dagvaarding wegens onverenigbare tenlastelegging en onbevoegdheid rechtbank
De rechtbank Maastricht behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van het verwerven en voorhanden hebben van door misdrijf verkregen goederen en het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door misdrijf verkregen geldbedragen. De rechtbank oordeelde dat zij onbevoegd was ten aanzien van het eerste feit omdat dit feit niet samenhing met de andere ten laste gelegde feiten en alleen aan verdachte was toegerekend.
Daarnaast werd de dagvaarding ten aanzien van het tweede feit nietig verklaard. De officier van justitie had ten laste gelegd dat verdachte een gewoonte had gemaakt van het voordeel trekken uit opbrengsten van door misdrijf verkregen geld, waarbij onverenigbare wetsartikelen (artikel 416 lid 2 en Pro artikel 417 Sr Pro) werden gecombineerd. Dit leidde tot innerlijke tegenstrijdigheid en onduidelijkheid over wat verdachte precies werd verweten.
De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding onvoldoende voldeed aan de eisen van artikel 261 Sv Pro en dat de combinatie van de genoemde wetsartikelen niet mogelijk is. Ook werd de opbrengst van door misdrijf verkregen geld onjuist vereenzelvigd met datzelfde geld, wat juridisch niet correct is. Hierdoor kon de dagvaarding niet als grondslag dienen voor een beoordeling van het ten laste gelegde feit.
De rechtbank verwierp het verweer van de raadsman dat zij onbevoegd was ten aanzien van het tweede feit, gezien de samenhang met de feiten van medeverdachten. De dagvaarding werd echter nietig verklaard voor het tweede feit vanwege de genoemde onduidelijkheden en innerlijke tegenstrijdigheden.
Het vonnis werd uitgesproken door drie rechters, waarbij de voorzitter het woord voerde, en de uitspraak vond plaats na meerdere zittingen in 2006.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor het eerste feit en verklaart de dagvaarding nietig voor het tweede feit.