ECLI:NL:RBROE:2006:AZ5894

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
20 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
76786 / JE RK 06-1163
Instantie
Rechtbank Roermond
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.C.G. Brants
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 261 BWArt. 258 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging uithuisplaatsing voor terugkerende korte perioden

De rechtbank Roermond behandelde het verzoek van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige was onder toezicht gesteld en woonde met veel hulp inmiddels thuis bij de moeder. Het verzoek betrof een partiële pleegzorgplaatsing waarbij de minderjarige éénmaal per maand een weekend en enkele dagen in de vakanties buiten huis zou verblijven ter ontlasting van de moeder.

De kinderrechter overwoog dat artikel 261 lid 1 BW Pro machtiging tot uithuisplaatsing toestaat indien dit noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Echter is het systeem niet bedoeld voor tijdelijke, steeds terugkerende korte perioden waarbij de minderjarige verder thuis bij de ouders blijft wonen. In dergelijke gevallen is er geen sprake van een daadwerkelijke onttrekking aan de ouderlijke zorg.

De kinderrechter concludeerde dat een uithuisplaatsing niet het geëigende middel is voor de gevraagde situatie. Indien het belang van de minderjarige een terugkerend verblijf buiten het gezin vereist zonder instemming van de ouder, kan een aanwijzing op grond van artikel 258 BW Pro volstaan. Het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing wordt afgewezen omdat het niet geschikt is voor terugkerende korte perioden.

Uitspraak

Zaak-/rolnummer: 76786 / JE RK 06-1163.
Datum uitspraak: 20 december 2006.
B E S C H I K K I N G
van de kinderrechter in de rechtbank Roermond
op het op 21 november 2006 ingediende verzoekschrift van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, mede kantoorhoudende te Roermond, tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van:
[de minderjarige], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum], hierna te noemen de minderjarige.
De kinderrechter merkt naast de minderjarige als belanghebbende aan:
- [de moeder],
wonende te [woonplaats],
[adres].
Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de moeder.
1. Het verloop van de procedure
De minderjarige is ondertoezicht gesteld van de stichting voornoemd. De ondertoezichtstelling loopt tot 15 augustus 2007.
Het plan van aanpak en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling, alsmede het indicatiebesluit zijn bij het verzoekschrift overgelegd.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht in het belang van de verzorging en de opvoeding van de minderjarige.
Op 12 december 2006 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.
Bij de behandeling is verschenen de gezinsvoogdes.
2. Vaststellingen en overwegingen
2.1 De gezinsvoogdes heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat de minderjarige, na jarenlang uit huis geplaatst te zijn geweest, inmiddels met veel hulp in de thuissituatie bij moeder geplaatst is. Om moeder te ontlasten wordt er een vakantiegezin gezocht waar de minderjarige éénmaal per maand een weekend en een aantal dagen in de vakanties kan logeren. Moeder en de minderjarige zijn het eens met het verzoek.
2.2 Op grond van de voorhanden gegevens en het verhandelde ter zitting oordeelt de kinderrechter als volgt.
Artikel 261, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt onder meer dat de kinderrechter een stichting kan machtigen een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
Van noodzaak tot uithuisplaatsing is derhalve sprake als de nagestreefde doelen niet bereikt kunnen worden indien de minderjarige thuis bij zijn ouders blijft wonen.
In het onderhavige geval wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verzocht voor een partiële pleegzorgplaatsing. De plaatsing geschiedt gedurende een weekend per maand en een aantal dagen in de vakanties en heeft tot doel de moeder te ontlasten. Voor het overige blijft de minderjarige thuis wonen.
Het systeem van regelgeving met betrekking tot de uithuisplaatsing is er naar het oordeel van de kinderrechter niet op gericht tijdelijk, gedurende een steeds terugkerende korte periode, de minderjarige onder de invloedssfeer van een derde te brengen en de minderjarige overigens thuis bij zijn ouders te laten opgroeien. In dat geval wordt de minderjarige niet onttrokken aan de zorg van de ouders nu er in casu geen sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid voor de dagelijkse gang van zaken.
Een uithuisplaatsing is voor deze situatie niet het geëigende middel.
Indien het noodzakelijk wordt geoordeeld dat het belang van de minderjarige is gediend met een steeds terugkerend verblijf buiten het gezin gedurende een korte periode terwijl de met het gezag belaste ouder niet instemt met die plaatsing, dan kan worden volstaan met een aanwijzing op de voet van artikel 258 Bw Pro.
De kinderrechter zal het verzoek tot uithuisplaatsing derhalve afwijzen.
BESLISSING
De kinderrechter:
wijst het verzoek tot verlenen van een machtiging uithuisplaatsing af.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.C.G. Brants, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 20 december 2006 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
Type: SD/etol
Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.
.