De kinderrechter overweegt het volgende.
De voorlopige ondertoezichtstelling en de voorlopige machtiging voor een gesloten plaatsing zijn verleend op grond van signalen dat het zeer slecht ging met [de minderjarige] en dat zij zich bevond in een situatie waarin minderjarigen niet mogen komen te verkeren. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat de ontwikkeling van [de minderjarige] ernstig bedreigd wordt hetgeen uit de volgende feiten en omstandigheden en zorgsignalen blijkt die de kinderrechter onder meer ook ambsthalve vanuit zijn functie als kinderstrafrechter bekend zijn:
- het feit dat [de minderjarige] recent diverse ernstige strafbare feiten heeft gepleegd, waarvoor zij recent ook is veroordeeld;
- de berichtgeving van Bureau Jeugdzorg in de recente strafzaak tegen [de minderjarige];
- het feit dat [de minderjarige] op de dag van de strafzitting geen dak meer boven haar hoofd had en dat zij eerder zowel bij moeder, bij vader als bij haar broer buiten de deur was gezet;
- dat [de minderjarige] al langere tijd niet meer naar school gaat, geen enkel diploma heeft en geen uitzicht heeft op werk;
- dat uit de nood geboren de vader [de minderjarige] weer toegang tot zijn huis heeft verleend, maar dat [de minderjarige] slechts sporadisch overdag in zijn woning verblijft om daar te slapen, terwijl zij niet heeft willen zeggen waar en hoe zij de nachten doorbrengt;
- het feit dat [de minderjarige] dus een verstoord dag en nachtritme heeft;
- het feit dat [de minderjarige] eerder toezeggingen gedaan heeft om mee te weken aan de hulpverlening, maar dat zij die toezeggingen uiteindelijk telkens niet na blijkt te komen;
- het feit dat de ouders feitelijk geen enkel gezag meer over [de minderjarige] hebben nu [de minderjarige] zich daar consequent aan onttrekt, met haar geen enkele afspraak te maken valt, daar zij afspraken gewoon niet nakomt en zij wegloopgedrag vertoont.
Al deze zorgsignalen tesamen leiden volgens de kinderrechter tot de conclusie dat het met [de minderjarige] steeds verder bergafwaarts gaat en dat het noch haar ouders noch Bureau Jeugdzorg de afgelopen periode is gelukt de bedreiging van haar ontwikkeling een halt toe te roepen. [de minderjarige] zegt weliswaar dat zij hulp nodig heeft en bereid is die te aanvaarden doch stelt daaraan nadrukkelijk haar eigen voorwaarden. Door haar gedrag geeft zij echter te kennen niet werkelijk open te staan voor hulpverlening.
De kinderrechter acht het noodzakelijk dat er zo spoedig mogelijk een persoonlijkheidsonderzoek wordt verricht, zodat duidelijk wordt of en zo ja welke behandeling [de minderjarige] nodig heeft; [de minderjarige] dient daarna zo snel mogelijk in een daartoe geëigende accommodatie voor gesloten jeugdzorg te worden geplaatst en zonodig behandeld.