ECLI:NL:RBROE:2008:BD6342

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
9 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
85419 FA RK 08-363
Instantie
Rechtbank Roermond
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.C.G. Brants
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen ouders na scheiding

In deze zaak heeft de rechtbank Roermond op 9 juli 2008 uitspraak gedaan in een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige kinderen. De ouders, die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, hebben een complexe relatie na hun scheiding, die heeft geleid tot spanningen en onduidelijkheden over de omgang. De vader heeft op 18 maart 2008 een verzoekschrift ingediend waarin hij vroeg om een omgangsregeling van eenmaal per veertien dagen en tijdens vakanties. Tijdens de mondelinge behandelingen op 17 april en 12 juni 2008 zijn beide ouders, hun advocaten en een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming aanwezig geweest. De rechtbank heeft vastgesteld dat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt en dat er in het verleden sprake is geweest van fysiek en verbaal geweld, wat schadelijk is voor de kinderen. De rechtbank oordeelt dat het in het belang van de kinderen is om de omgang van de vader met de kinderen te schorsen tot 1 september 2009. De rechtbank heeft voorwaarden gesteld waaraan de ouders moeten voldoen om tot een uiteindelijke omgangsregeling te komen. De ouders dienen te werken aan het herstel van vertrouwen en communicatie, en professionele hulpverlening kan hierbij ondersteunend zijn. Na de schorsingsperiode kan opnieuw worden bekeken of en hoe de omgang kan worden vormgegeven. Indien de ouders geen overeenstemming bereiken, kan opnieuw een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling worden ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND
Sector civielrecht
Zaaknummer: 85419 / FA RK 08-363
Beschikking van 9 juli 2008 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden
in de zaak van:
[vader],
wonende te [adres],
hierna te noemen [vader],
procureur: mr. E.V.T.E. van der Woning;
tegen:
[moeder],
wonende te [adres],
hierna te noemen [moeder],
advocaat: mr. P.G.C.P. Smits.
Als belanghebbende merkt de rechtbank tevens aan:
[minderjarige 1], geboren te [geboortedatum en -plaats],
[minderjarige 2], geboren te [geboortedatum en -plaats],
[minderjarige 3], geboren te [geboortedatum en -plaats].
[vader] en [moeder] hierna ook te noemen respectievelijk de vader, de moeder en tezamen de ouders.
1. Het verloop van de procedure
1.1. [vader] heeft op 18 maart 2008 bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van een omgangsregeling, in dier voege dat er eenmaal per veertien dagen omgang is van vrijdagavond tot maandagochtend en iedere week van woensdagmiddag tot donderdagmorgen. Tevens heeft vader verzocht om omgang gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg nader vast te stellen.
De rechtbank verwijst naar de inhoud van het verzoekschrift.
1.2. Op 17 april 2008 heeft de mondelinge behandeling met gesloten deuren plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.
Bij deze behandeling zijn verschenen:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaten;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming te Roermond.
1.3. Op 12 juni 2008 heeft de nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.
Bij deze behandeling zijn verschenen:
- vader, bijgestaan door mr. E.V.T.E. van der Woning;
- mr. P.G.C.P. Smits, namens moeder,
- M. Nelissen, vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming te Roermond,
- J. Huizing, gezinsvoogdes.
2. De vaststellingen en overwegingen
2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de minderjarigen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn geboren. Op 10 mei 2005 zijn partijen met elkaar gehuwd.
Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 31 mei 2006 zijn partijen gescheiden van echt verklaard. Beide ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
De kinderen zijn sedert 25 april 2006 onder toezicht gesteld van een gezinsvoogd en met een machtiging uit huis geplaatst. Ouders zijn overeengekomen dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw zal zijn. Vanaf 13 oktober 2006 zijn de kinderen thuisgeplaatst bij moeder.
2.2. Vader heeft aangevoerd dat de omgang sinds het uiteengaan van partijen onregelmatig heeft plaatsgevonden. De communicatie tussen ouders verloopt moeizaam. Bureau Jeugdzorg heeft getracht in overleg de omgang te regelen. Er hebben twee begeleide omgangscontacten plaatsgevonden. Aangezien de communicatie niet goed verliep, heeft Bureau Jeugdzorg besloten om geen inspanningen meer te verrichten om een omgangsregeling tot stand te brengen.
Vader is van mening dat het in het belang van de kinderen is dat er omgang plaatsvindt.
2.3. Moeder heeft gesteld dat het verzoek van vader moet worden afgewezen. Vader is niet in staat om op een verantwoorde wijze omgang met de kinderen te hebben. Moeder is van mening dat de aanmerkelijke onrust die de omgang in het verleden met zich meebracht, dusdanig gevolgen heeft voor de ontwikkeling van de kinderen, dat dit dient te leiden tot een al dan niet tijdelijke ontzegging van het recht op omgang. De rapportages van het Bureau Jeugdzorg kunnen onderbouwen dat hier sprake is van ernstige problematiek, waardoor stringente maartregelen nodig zijn. De omgang is in strijd met de zwaarwegende belangen van de kinderen.
2.4. De gezinsvoogdes heeft zich op het standpunt gesteld dat een omgangsregeling niet in het belang van de kinderen is, zolang de ouders niet tot overeenstemming kunnen komen over de invulling van de omgangsregeling. Beide ouders betrekken de kinderen in de strijd, waardoor de kinderen gedwongen worden te kiezen tussen de ouders en het gevoel hebben dat ze falen. De spanningen rondom de omgangsregeling zijn schadelijk voor de ontwikkeling van de kinderen. Beide ouders willen het beste voor hun kinderen, maar zijn niet in staat (gezamenlijk) het ouderschap vorm te geven. Aangezien de kinderen volledig afhankelijk zijn van moeder, lijkt er geen basis om te werken aan het opbouwen van de omgangsregeling.
2.5. De vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat vader zich –in het belang van de kinderen– het beste op de achtergrond kan houden, nu al het andere enkel frustraties met zich meebrengt. Vader zou wel af en toe een kaartje kunnen sturen aan de kinderen.
2.6. In artikel 1:377h van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de rechter in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de omgang tussen het kind en de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft.
2.7. De Hoge Raad heeft bij zijn beschikking van 18 november 2005, NJ 2005, 574, geoordeeld dat bij gezamenlijke gezagsuitoefening tijdelijke schorsing van de uitoefening van het omgangsrecht, inhoudende dat tijdelijk geen omgang of contact met het kind is toegestaan, op de voet van het bepaalde in art. 1:253a BW mogelijk is. Bij zijn beschikking van 31 maart 2006, NJ 2006,392, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat artikel 1:253a BW de rechter niet de bevoegdheid geeft een ouder die gezamenlijk met de andere ouder het gezag uitoefent, het recht op omgang voor onbepaalde tijd te ontzeggen, hetgeen verder is uitgewerkt in de beschikking van de Hoge Raad van 23 maart 2007, NJ 2007,174.
Deze opvatting stemt ook overeen met het in de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel 30145. Hierin wordt het contact tussen het kind en beide ouders tot norm verheven. Het wetsvoorstel biedt wel ruimte om, indien het belang van het kind dat vergt, tijdelijk geen contact tussen een ouder en zijn kind te laten bestaan.
2.8. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat het vaststellen van een omgangsregeling tussen vader en de kinderen thans niet in het belang van de kinderen kan worden geacht. De rechtbank overweegt hierbij dat gebleken is dat de ouders niet in staat zijn (gezamenlijk) het ouderschap vorm te geven. De kinderen worden betrokken in de strijd en de spanningen rondom de omgangsregeling. Ouders staan lijnrecht tegenover elkaar en schetsen een zeer negatief beeld van de ander als ouder. Fysiek en verbaal geweld is door de ouders in het verleden niet geschuwd waarvan de kinderen getuige zijn gewest. Zolang de ouders geen vertrouwen hebben in elkaar als ouder worden de kinderen gedwongen voor of tegen de andere ouder te kiezen. Zij voelen zich daardoor onzeker en onveilig waardoor bij hen het gevoel van falen toeneemt. De spanningen rondom de omgangsregeling zijn schadelijk voor de ontwikkeling van de kinderen.
Het thans vaststellen van een omgangsregeling tussen vader en de kinderen zou in strijd komen met de belangen van de kinderen.
2.9. De rechtbank is van oordeel dat de omgang tussen vader en de kinderen tot 1 september 2009 dient te worden geschorst. Teneinde na 1 september 2009 tot vaststelling van een omgangsregeling te kunnen komen, acht de rechtbank het van belang dat de ouders in de eerste plaats het vertrouwen in elkaar en daaropvolgend de communicatie tussen hen herstellen. Hoewel de gezinsvoogd daaromtrent een somber beeld schetst - aangezien de kinderen volledig afhankelijk zijn van moeder - blijft er een rol weggelegd voor de gezinsvoogdes om moeder in dit proces te stimuleren. Daarnaast dienen beide ouders, met name vader, open te staan voor het wederom opstarten van gezamenlijke gesprekken tussen de ouders onder begeleiding van de gezinsvoogdes. Professionele hulpverlening voor elk der ouders zal zeker behulpzaam zijn bij het inzicht geven van ieders aandeel in het huidige spanningsveld.
Het herwinnen van vertrouwen zou kunnen aanvangen met het door vader verzenden van een kaart of brief aan de kinderen, waarbij moeder haar toestemming geeft aan de kinderen om deze kaart of brief te ontvangen.
In de tweede plaats is nodig dat – na herstel van het vertrouwen en de communicatie– aan contactherstel tussen vader en de kinderen wordt gewerkt. Hiervoor is nodig dat de kinderen door de gezinsvoogdes, worden voorbereid op het contactherstel. Daarnaast is er een belangrijke rol weggelegd voor beide ouders om een positief beeld van de andere ouder te schetsen en de kinderen toestemming te geven tot contact met de andere ouder, zodat de kinderen niet meer het gevoel hebben te moeten kiezen tussen hun ouders.
Na afloop van deze periode kan bekeken worden of en op welke wijze de omgang tussen vader en de kinderen gestalte kan krijgen. Indien partijen geen overeenstemming bereiken over de omgangsregeling, kan opnieuw een verzoek tot vaststellen van een omgangsregeling worden ingediend bij de rechtbank.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1. wijst af het verzoek van vader tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de minderjarigen met dien verstande dat het recht op omgang van vader met de minderjarigen wordt geschorst tot 1 september 2009;
3.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mr. P.C.G. Brants, kinderrechter en ter openbare terechtzitting van 9 juli 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.