ECLI:NL:RBROE:2008:BG3775

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
4 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
216916 CV EXPL 08-2109
Instantie
Rechtbank Roermond
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:663 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen overgang van onderneming bij wisseling werkgever en nietig proeftijdbeding

Eiser trad op 1 mei 2003 in dienst bij een eenmanszaak en verrichtte chauffeurswerkzaamheden. Na bedrijfsbeëindiging vroeg de werkgever een ontslagvergunning aan, waarna eiser per 1 oktober 2007 bij gedaagde in dienst trad met een proeftijd van een maand. Gedaagde beëindigde de arbeidsovereenkomst binnen de proeftijd, waarop eiser zich ziek meldde.

Eiser stelde dat sprake was van opvolgend werkgeverschap en dat het proeftijdbeding daarom nietig was. Hij voerde aan dat overleg had plaatsgevonden tussen de oude en nieuwe werkgever en dat hij dezelfde werkzaamheden bleef verrichten. Gedaagde betwistte dit en stelde dat geen sprake was van overname van onderneming of werknemer, en dat de werkzaamheden en marktsegmenten wezenlijk verschilden.

De rechtbank beoordeelde of er sprake was van een overgang van onderneming als bedoeld in art. 7:663 BW Pro. Gelet op het verschil in marktsegmenten, aard van de bedrijven en het ontbreken van behoud van identiteit, concludeerde de rechtbank dat geen overgang van onderneming had plaatsgevonden. Hierdoor was het proeftijdbeding geldig en kon de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig binnen de proeftijd worden beëindigd.

De vordering van eiser tot doorbetaling van loon werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot doorbetaling van loon wordt afgewezen omdat geen sprake is van overgang van onderneming en het proeftijdbeding geldig is.

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND
Sector kanton
Zaaknummer: 216916 \ CV EXPL 08-2109
Vonnis van de kantonrechter te Roermond d.d. 4 november 2008
in de zaak van:
[eiser], wonende te [adres],
eiser,
gemachtigde: Peeters & Langereis Advocaten,
EPD 2DE1219
tegen:
1. [gedaagde], gevestigd te [adres],
2. [gedaagde], wonende te [adres],
3. [gedaagde], wonende te [adres],
gedaagden,
gemachtigde: mr. H.G.M. Hilkens.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Dit blijkt uit het navolgende:
- de inleidende dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek met producties;
- de conclusie van dupliek.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De vaststaande feiten
2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan:
[eiser] is met ingang van 1 mei 2003 in dienst getreden bij eenmanszaak [E] van [M]. [eiser] verrichtte voor [E] chauffeurswerkzaamheden bestaande uit het leveren van paardemuesli’s, ruitersportartikelen en stalstrooisels aan particulieren en beroepsmatige paardenhouders. In verband met een bedrijfsbeëindiging heeft [E] een ontslagvergunning aangevraagd ten behoeve van [eiser], welke vergunning door de CWI Arnhem op 6 juni 2007 is verleend. Vervolgens heeft [E] [eiser] opgezegd met ingang van 1 oktober 2007.
Met ingang van 1 oktober 2007 is [eiser] bij [gedaagde] in dienst getreden voor 26,77 uur per week tegen een bruto maandsalaris van EUR 1.166,99 en wel voor de duur van 12 maanden. In de arbeidsovereenkomst (productie 1 bij dagvaarding) is onder artikel 3 een Pro proeftijd bepaald van een maand.
Op 30 oktober 2007 heeft [gedaagde] de arbeidsovereenkomst met een beroep op de proeftijd per 31 oktober 2007 beëindigd.
[eiser] heeft zich vervolgens met ingang van 31 oktober 2007 ziek gemeld.
3. Het geschil
3.1. [eiser] heeft op gronden als omschreven in de dagvaarding gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot doorbetaling van loon met bijkomende emolumenten aan [eiser] tot 1 oktober 2008 een en ander als in de dagvaarding vermeld, kosten rechtens.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De stellingen van [eiser]
4.1. [eiser] stelt zich op het standpunt dat sprake is van een nietig proeftijdbeding. In de gegeven situatie is volgens [eiser] sprake van een opvolgend werkgeverschap. Om die reden is het tussen partijen overeengekomen proeftijdbeding nietig en kan er met recht geen beroep op worden gedaan.
4.2. [eiser] stelt dat reeds ten tijde van het aanvragen van de ontslagvergunning bij de CWI er overleg is geweest tussen [E] en [gedaagde] waar ook [eiser] bij betrokken is geweest. [gedaagde] heeft daarbij in overleg met [E] aan [eiser] aangeboden een soortgelijke functie als bij [E] te gaan vervullen. Dit blijkt volgens [eiser] uit de brief van [gedaagde] van 17 september 2007 (productie 8 bij dagvaarding). Dit blijkt volgens [eiser] ook uit de email van [gedaagde] aan [M] van [E] (productie 9 bij dagvaarding). Uit de producties 8,9 en 10 blijkt dan volgens [eiser] ook dat de werkzaamheden van [eiser] zowel bij [E] als [gedaagde] identiek waren. Dit blijkt overigens ook uit de arbeidsovereenkomsten. [eiser] stelt dat hij geen andere werkzaamheden verricht bij [gedaagde] dan hij bij [E] uitvoerde. Evident is volgens [eiser] derhalve dat het gaat om wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden en er nauwe banden tussen [E] en [gedaagde] hebben bestaan en [eiser] bij [gedaagde] gewoon functioneerde op een wijze die bij [E] (vrijwel) identiek was.
5. Het standpunt van [gedaagde]
5.1. [gedaagde] betwist de stelling van [eiser] dat sprake is van een nietig proeftijdbeding. [gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst binnen de proeftijd beëindigd. De dienstbetrekking is volgens [gedaagde] per 31 oktober 2007 geëindigd.
5.2. [gedaagde] stelt dat van enige overname van het bedrijf of werknemers van [E] in het geheel geen sprake is. [gedaagde] zocht per 1 oktober 2007 een chauffeur en wist dat de arbeidsplaats van [eiser] bij [E] op korte termijn zou komen te vervallen. [gedaagde] heeft derhalve [eiser] uitgenodigd bij [gedaagde] te solliciteren. [gedaagde] weerspreekt uitdrukkelijk de stelling van [eiser] dat voor het aanvragen van de ontslagvergunning overleg is geweest tussen [E] en [gedaagde] waarbij [eiser] betrokken is geweest. Bovendien blijkt uit de brief van 17 september 2007 dat [gedaagde] [eiser] uitnodigde om te solliciteren lang nadat de beschikking van het CWI was gegeven. Ook is [eiser] geen baan aangeboden, dit blijkt uit het feit dat hij wordt uitgenodigd te solliciteren.
Het e-mailbericht (productie 9 bij dagvaarding) waaraan [eiser] consequenties denkt te kunnen verbinden bevestigt uitsluitend het feit dat er nagedacht wordt over hoe verder, er blijken onderhandelingen noch concrete afspraken uit.
5.3. [gedaagde] stelt dat er geen sprake is van overname van [eiser] en derhalve niet van opvolgend werkgeverschap. De werkzaamheden die [eiser] voor [gedaagde] verrichtte waren niet identiek aan die welke hij voor [E] verrichtte. Het verschil blijkt volgens [gedaagde] al uit de aard van de bedrijven. [gedaagde] is producent en leverancier van diervoer. [E] is daartegen distributeur. De bedrijfsvoering van [gedaagde] is veel grootschaliger en de klantenkring afwijkend. [gedaagde] levert aan bedrijven als [E], welke vervolgens aan kleine afnemers leveren.
6. De beoordeling van het geschil
6.1. De kern van dit geschil draait om de vraag of sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 7:663 BW Pro, op grond waarvan de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame werknemer van rechtswege over gaan op de verkrijger.
6.2. Wil er sprake zijn van bescherming van de werknemer als beschreven in 7:663 BW dan dient er een onderneming ten gevolge van een overeenkomst, fusie of splitsing over te gaan. Het gaat hierbij om overdracht van ondernemingsactiviteiten door verkoop, verhuur verpachting of uitgifte van vruchtgebruik. Behoudens de blote stelling dat [eiser] bij [E] in dezelfde vrachtauto reed als bij [gedaagde] is van het vorenstaande niets gebleken.
6.3. Daarnaast dient het om een economische eenheid te gaan. Hierbij moet gedacht worden aan alle organisaties gericht op voortbrengen of levering van goederen of verlening van diensten. [eiser] stelt weliswaar dat hij dezelfde werkzaamheden verrichtte, hetgeen overigens door [gedaagde] wordt weersproken. Uit de stukken blijkt echter dat [E] en [gedaagde] in een verschillend marktsegment werkzaam zijn. Er is weliswaar sprake van een gedeeltelijke overlapping. Toch zit het bedrijf [E] als detaillist in de Achterhoek in een ander marktsegment dan [gedaagde] als producent/leverancier op -zo begrijpt de kantonrechter uit de stellingen van [gedaagde]- landelijk gebied.
6.4. Tenslotte nog het behoud van identiteit. In vaste jurisprudentie heeft het EG-Hof uitgemaakt dat voor het antwoord op de vraag op sprake is van een overgang van een onderneming cruciaal is of de identiteit van de overgedragen onderneming is behouden. Uit het voorgaande blijkt reeds dat hiervan niet kan worden gesproken. [gedaagde] heeft de identiteit van leverancier/producent behouden en heeft niet die van detaillist aangenomen.
6.5. Conclusie is dat geen sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 7:663 BW Pro, op grond waarvan de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame werknemer van rechtswege over gaan op de verkrijger. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen en dat [eiser], als de in het ongelijk gestelde partij, dient te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.
7. De beslissing
7.1. Wijst alle vorderingen van [eiser] af.
7.2. Veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] geval¬len en tot aan dit vonnis begroot op EUR 500,00, als salaris voor de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.F. van Dooren, kantonrechter, en ter openbare civiele terechtzitting op 4 november 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.