ECLI:NL:RBROE:2009:BH4484

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
25 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
88871 / FA RK 08-1213
Instantie
Rechtbank Roermond
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.C.G. Brants
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:205 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot benoeming bijzondere curator voor vernietiging erkenning niet-ontvankelijk

De man heeft verzocht om benoeming van een bijzondere curator over de minderjarige, met het doel dat deze curator namens de minderjarige een verzoek tot vernietiging van de erkenning door de heer A kan indienen. De minderjarige is geboren uit een relatie tussen de man en de vrouw, maar is erkend door de heer A, met toestemming van de vrouw. De man wenst het juridische vaderschap in overeenstemming te brengen met de biologische werkelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 1:205 BW Pro slechts bepaalde personen een verzoek tot vernietiging van de erkenning kunnen indienen: het kind zelf, de erkenner onder bepaalde omstandigheden, en de moeder onder bepaalde omstandigheden. De man behoort niet tot deze limitatief genoemde personen en is ook geen wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige.

Daarom kan de man niet via de benoeming van een bijzondere curator alsnog het beoogde doel bereiken. Het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator is voorbehouden aan de wettelijke vertegenwoordiger die zijn recht om de erkenning aan te vechten heeft verloren door het verstrijken van de termijn.

De rechtbank verklaart het verzoek van de man niet-ontvankelijk en wijst het af. Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot benoeming van een bijzondere curator voor vernietiging van de erkenning.

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND
Sector civielrecht
Zaaknummer: 88871 / FA RK 08-1213
Beschikking van 25 februari 2009
in de zaak van:
[man],
wonende te [adres],
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. M.D. van Bruggen;
tegen:
[vrouw],
wonende te [adres],
hierna te noemen de vrouw.
Als belanghebbenden merkt de rechtbank voorts aan de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004 en [A], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Dit blijkt uit het volgende:
- het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 05 september 2008;
- de namens de man binnengekomen brief, met producties, van 20 oktober 2008;
- het op 11 november 2009 door de griffier van deze rechtbank aan de afdeling Publiekszaken van de gemeente Venlo verzonden e-mail bericht en het daarop ontvangen antwoord;
- het op 17 november 2008 namens de man binnengekomen faxbericht van 17 november 2008;
- de namens de heer [A] binnengekomen brief van 7 januari 2009;
- de mondelinge behandeling, welke op 28 januari 2009 heeft plaatsgevonden en waarbij is verschenen:
- mr. F. Ben-Saddek namens de man.
De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2. De vaststaande feiten
2.1. Op basis van de gedingstukken kan het volgende worden vastgesteld.
2.2. Op [geboortedatum] 2004 is uit de vrouw de minderjarige [minderjarige] geboren. De minderjarige is op 2 april 2007 erkend door de heer [A]. De minderjarige is door de kinderrechter bij deze rechtbank onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling laatstelijk bij beschikking van 12 juni 2008 is verlengd.
2.3. De minderjarige is door de kinderrechter bij deze rechtbank tevens uit huis geplaatst, welke uithuisplaatsing eveneens bij beschikking van 12 juni 2008 is verlengd.
3. Het verzoek
3.1. Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, mr. J.H.P.M. Verhagen zal benoemen als bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige].
3.1.1. De man heeft, kort samengevat, de volgende stellingen aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:
De minderjarige [minderjarige] is geboren uit een affectieve relatie tussen de man en de vrouw.
De man heeft [minderjarige] niet erkend. De vrouw is in 2006 een relatie aangegaan met de heer [A], die met toestemming van de vrouw [minderjarige] heeft erkend. De relatie tussen de heer [A] en de vrouw is inmiddels beëindigd. De man heeft de vurige wens dat het formele juridische vaderschap in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid, zodat de man in een familierechtelijke betrekking tot [minderjarige] komt te staan. De man acht dit ook in het belang van [minderjarige]. Er is geen contact tussen [minderjarige] en de heer [A]. De man wil dat er op grond van artikel 1:205 BW Pro een verzoek tot vernietiging van de erkenning wordt gedaan, zodat de man vervolgens [minderjarige] zelf kan erkennen. Op grond van de wettelijke bepalingen kan [minderjarige] zelf om vernietiging vragen, maar omdat hij minderjarig is, dient het verzoek te worden gedaan door een bijzondere curator.
4. Het oordeel van de rechtbank
4.1. De advocaat van de man heeft terechtzitting verklaard, dat het verzoek van de man ertoe strekt dat de rechtbank een bijzondere curator zal benoemen die vervolgens in overleg met de man en de minderjarige zal nagaan of er namens de minderjarige een verzoek tot vernietiging van de erkenning door de heer [A] kan worden ingediend. Volgens de advocaat zou het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator altijd moeten worden gehonoreerd en moet er eerst door de bijzondere curator worden nagegaan of indiening van een verzoek als thans wordt beoogd te overwegen valt.
4.2. Op grond van het bepaalde in artikel 1:205 BW Pro kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend:
a. door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;
b. door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn
minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;
c. door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar
minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de
erkenning te geven.
4.3. Blijkens de toelichting op bedoeld artikel worden degenen, die een verzoek tot vernietiging van de erkenning kunnen indienen, limitatief genoemd.
4.4. De man, die stelt verwekker van [minderjarige] te zijn, behoort niet tot de limitatief opgesomde personen die vernietiging van de erkenning kunnen verzoeken.
4.5. Nu de man niet behoort tot de door de wetgever bedoelde personen als genoemd in artikel 1:205 BW Pro die vernietiging van de erkenning kunnen verzoeken, kan hem evenmin via een omweg middels de benoeming van een bijzondere curator de gelegenheid worden geboden alsnog het beoogde doel te bereiken. Naar het oordeel van de rechtbank is een verzoek tot benoeming van een bijzondere curator met als doel een verzoek tot vernietiging van de erkenning in te dienen voorbehouden aan de wettelijke vertegenwoordiger van een kind, die zijn of haar recht om de erkenning aan te tasten heeft verspeeld door het laten verlopen van de termijn waarbinnen een dergelijk verzoek door hem/haar had moeten worden ingediend.
4.6. Nu de man niet behoort tot de personen die vernietiging van de erkenning kunnen verzoeken en geen wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] is, kan hij naar het oordeel van de rechtbank niet ontvangen worden in zijn verzoek.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1. verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.C.G. Brants, kinderrechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 25 februari 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
JvdK
Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.