De zaak betreft een geschil tussen [X], erfgename van [erflater A], en [Y c.s.], notarissen die betrokken waren bij de levering van een onroerend goed. [X] stelt dat de notaris onrechtmatig heeft gehandeld door een leveringsakte te passeren terwijl de aanbiedingsplicht, die het recht geeft aan [erflater A] om het pand tegen een vaste prijs te kopen, nog niet was geëindigd. Hierdoor zou [erflater A] schade hebben geleden.
De rechtbank oordeelt dat de aanbiedingsplicht ook geldt wanneer beide eigenaren hun aandelen willen verkopen en dat de aanbieding door de verkopers ongeldig was vanwege een te hoge vraagprijs. De notaris had de zorgplicht om dit te controleren en had nadere duidelijkheid moeten verkrijgen over de status van de aanbiedingsplicht. Door dit na te laten, heeft de notaris zijn zorgplicht geschonden en onrechtmatig gehandeld jegens [erflater A].
Hoewel niet met absolute zekerheid kan worden vastgesteld dat [erflater A] het pand daadwerkelijk zou hebben gekocht, acht de rechtbank het aannemelijk dat hij van zijn recht gebruik zou hebben gemaakt gezien het lucratieve karakter van het recht. De schade wordt vastgesteld op het verschil tussen de werkelijke verkoopprijs en de aanbiedingsprijs, gemaximeerd tot het boetebedrag in de leveringsakte. De notaris wordt veroordeeld tot betaling van € 90.756,04 plus wettelijke rente en proceskosten.