ECLI:NL:RBROE:2011:BP3325
Rechtbank Roermond
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid kantonrechter bij arbeidsrechtelijke vordering bestuurder na ontslag
In deze zaak stond de vraag centraal welke rechter bevoegd is om een vordering van een bestuurder te behandelen die een verklaring voor recht vordert dat sprake is van kennelijk onredelijk ontslag en schadevergoeding op die grond. De rechtbank Roermond heeft geoordeeld dat deze vordering uitsluitend arbeidsrechtelijke kwesties betreft en niet vennootschapsrechtelijke.
De rechtbank verwees naar de arresten van de Hoge Raad van 15 april 2005, waarin is vastgesteld dat een vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit ook het einde van de arbeidsovereenkomst van de bestuurder tot gevolg heeft. Echter, dit dubbele rechtsgevolg betekent niet dat het vennootschapsrecht het arbeidsrecht vervangt of andersom. De bevoegdheid wordt bepaald aan de hand van de aard van de vordering.
Omdat de vordering van eiser geen vennootschapsrechtelijke vragen bevat, maar uitsluitend betrekking heeft op artikel 7:681 BW Pro (arbeidsrecht), is de kantonrechter bevoegd. De rechtbank verwees de zaak dan ook naar de kantonrechter en wees partijen erop dat zij op de rolzitting niet hoeven te verschijnen en dat zij zich in de vervolgprocedure ook persoonlijk kunnen vertegenwoordigen zonder advocaat.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de kantonrechter bevoegd is en verwijst de zaak naar de kantonrechter.