ECLI:NL:RBROE:2011:BQ3503

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
16 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
101584 HA ZA 10-449
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D.C.M. Bomans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:196 BW
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vernietiging verdeling huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd geweest en zijn op 8 april 2009 gescheiden waarbij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is vastgesteld in een beschikking die op 1 juli 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Eiser vordert vernietiging van de in het echtscheidingsconvenant overeengekomen verdeling op grond van dwaling over de waarde van goederen, met de stelling dat hij daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. De rechtbank overweegt echter dat de verdeling reeds onherroepelijk is vastgesteld bij de beschikking van 8 april 2009 en dat deze beschikking geen rechtshandeling is in de zin van artikel 3:196 BW Pro.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen belang heeft bij zijn vordering omdat bij vernietiging van het convenant partijen nog steeds gebonden zouden zijn aan de inhoud van de beschikking. De rechtbank verklaart eiser daarom niet-ontvankelijk en houdt verdere beslissing aan, met gelegenheid voor partijen om zich hierover uit te laten.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot vernietiging van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ROERMOND
Sector civielrecht
zaaknummer / rolnummer: 101584 / HA ZA 10-449
Vonnis van 16 februari 2011
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. L.E.I.K. Jaminon,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. D.J.P.H. Stoelhorst.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 maart 2011
- het proces-verbaal van comparitie van 18 januari 2011
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. Partijen zijn met elkander gehuwd geweest. De beschikking betreffende echtscheiding van 8 april 2009 is op 1 juli 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2. Bij echtscheidingsconvenant van 5 maart 2009 zijn partijen een vermogensrechtelijke regeling overeengekomen.
3.3. In de beschikking betreffende echtscheiding van 8 april 2009 is bepaald, dat de in het convenant van 5 maart 2009 opgenomen vermogensrechtelijke regeling als in de beschikking opgenomen dient te worden beschouwd.
3. Het geschil
3.1. [eiser] vordert samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de in het convenant overeengekomen verdeling te vernietigen en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen.
3.2. [gedaagde] voert verweer.
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. Onder verwijzing naar artikel 3:196 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) onderbouwt [eiser] zijn vordering met de stelling dat hij over de waarde van een of meer van de te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld.
4.2. De rechtbank overweegt dat de verdeling van de destijds tussen partijen bestaande gemeenschap door de rechtbank is vastgesteld bij haar beschikking van 8 april 2009, zaaknummer 92438. De rechtbank is dan ook van oordeel, dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vordering, aangezien partijen in geval van vernietiging van het convenant nog steeds gebonden zouden zijn aan de inhoud van genoemde beschikking, waarin de verdeling is vastgesteld overeenkomstig de inhoud van het convenant.
Met betrekking tot de vordering om de verdeling vast te stellen overweegt de rechtbank dat omtrent de verdeling reeds onherroepelijk bij de beschikking van 8 april 2009 is beslist, zodat die verdeling in deze procedure niet meer aan de orde kan worden gesteld.
Op grond van bovenstaande is de rechtbank voornemens om [eiser] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om zich over dit voornemen uit te laten.
4.3. De rechtbank geeft partijen nog de volgende overwegingen mee. De verdeling zoals die bij beschikking van 8 april 2009 is vastgesteld, komt niet voor vernietiging op grond van artikel 3:196 BW Pro in aanmerking. Immers het BW merkt als verdeling aan iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten meewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen van de gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. De verdeling is dus een rechtshandeling. Het BW karakteriseert een rechtshandeling aan de hand van hetgeen daartoe wordt vereist: een op rechtsgevolg gerichte (subjectieve) wil van een handelend persoon, die zich door een verklaring heeft geopenbaard.
Een rechterlijke beschikking waarbij de verdeling van een ontbonden huwelijks-gemeenschap is vast gesteld, zoals in de beschikking van 8 april 2009, is niet aan te merken als een rechtshandeling in de hiervoor bedoelde zijn. Artikel 3:196 BW Pro is daarop dan ook niet van toepassing.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. verwijst de zaak naar de rol van 2 maart 2011 voor het nemen van een akte zoals onder 4.2 aangegeven namens [eiser] en vervolgens naar de rol twee weken daarna voor het nemen van een antwoordakte namens [gedaagde].
5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.M. Bomans en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2011.?