4.4. De rechtbank overweegt het volgende. Tussen partijen staat vast, dat [gedaagden sub 1,2,4,6 en 7] nog openstaande facturen onbetaald heeft gelaten. Partijen verschillen van mening over de hoogte van het nog door [gedaagden sub 1,2,4,6 en 7] te betalen bedrag. [gedaagden sub 1,2,4,6 en 7] heeft de verschuldigdheid van een bedrag van EUR 74.243,39 erkend. [gedaagden sub 1,2,4,6 en 7] heeft de verschuldigdheid van een bedrag van EUR 19.272,39 en een bedrag van EUR 314,65 betwist.
De rechtbank overweegt, dat het bedrag van EUR 19.272,39 een naverrekening betreft in verband met een verhoging van EUR 0,50 per kubieke meter mest. [eisers gezamenlijk] heeft daaraan ten grondslag gelegd, dat [gedaagden sub 1,2,4,6 en 7] de overeenkomst tijdens het gesprek in november 2007 eenzijdig heeft opgezegd. [eisers gezamenlijk] heeft echter die door
[gedaagden sub 1,2,4,6 en 7] betwiste opzegging op geen enkele wijze onderbouwd. Vast staat dat er sinds augustus 2007 geen varkens meer zijn geleverd. Echter [gedaagden sub 1,2,4,6 en 7] heeft aangegeven, dat het niet meer voortzetten van de leveringen verband hield met het feit dat [eisers gezamenlijk] niet aan zijn betalingsverplichting in verband met voorgaande leveringen had voldaan met andere woorden, dat [gedaagden sub 1,2,4,6 en 7] zich op opschorting beriep. Daaruit kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagden sub 1,2,4,6 en 7] de overeenkomst heeft opgezegd. In het voortzetten van de mestleveranties kan evenmin een opzegging van de overeenkomst worden gezien. De rechtbank is dan ook van oordeel, dat [eisers gezamenlijk] met betrekking tot de gestelde opzegging niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zodat de rechtbank niet meer toekomt aan de bewijsfase en aan de niet onderbouwde stelling voorbij zal gaan. Dit heeft tot gevolg, dat niet is komen vast te staan dat [gedaagden sub 1,2,4,6 en 7] de overeenkomst heeft opgezegd. Daarmee ontvalt de door [eisers gezamenlijk] gestelde grondslag aan de naverrekening. Het gevorderde bedrag van EUR 19.272,39 ligt dan ook voor afwijzing gereed.
Met betrekking tot het betwiste bedrag van EUR 314,65 overweegt de rechtbank dat [eisers gezamenlijk] dit bedrag heeft onderbouwd door middel van overlegging van de factuur van
15 november 2007 en een overzicht debiteurenkaarten periode 14 juni 2007 tot 15 november 2007 (beide bijlage 1 bij productie 7 van de dagvaarding). Verder is niet gebleken dat de administratie van [eisers gezamenlijk] gebreken zou vertonen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het door [eisers gezamenlijk] onderbouwde bedrag door middel van een enkele ontkenning onvoldoende gemotiveerd is betwist. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de juistheid daarvan. Het gevorderde bedrag van EUR 314,65 ligt dan ook voor toewijzing gereed.
Concluderend heeft [eisers gezamenlijk] aanspraak op betaling door [gedaagden sub 1,2,4,6 en 7] van
EUR 74.558,04 minus het door [eisers gezamenlijk] aan [gedaagden sub 1,2,4,6 en 7] nog te betalen bedrag in verband met leveringen van varkens.