ECLI:NL:RBROE:2011:BR3875
Rechtbank Roermond
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens ontbreken redelijk strafrechtelijk doel bij vervolging licht zwakzinnige verdachte
De verdachte, met een verstandelijke ontwikkeling vergelijkbaar met een kind van 7 jaar en een IQ van 64, werd vervolgd voor seksuele handelingen met een slachtoffer dat eveneens een ernstige verstandelijke beperking heeft. Beide waren geplaatst in een instelling voor zwakzinnigenzorg ten tijde van het tenlastegelegde.
De officier van justitie baseerde de vervolging op verklaringen van onder meer de moeder van het slachtoffer en de ernst van het feit, maar hield rekening met de verstandelijke beperkingen van verdachte en het tijdsverloop van ongeveer vier jaar tussen het feit en de terechtzitting. De raadsman betoogde dat de vervolging buiten proporties was en in strijd met het opportuniteitsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de beperkingen van strafrechtelijke maatregelen, niet redelijkerwijs tot vervolging had mogen besluiten. De vervolging ontbrak een redelijk strafrechtelijk doel en was daarmee in strijd met een goede strafprocesorde.
Daarom verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte. Dit vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Roermond op 15 juli 2011.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een redelijk strafrechtelijk doel bij vervolging van de licht zwakzinnige verdachte.