ECLI:NL:RBROT:1999:AA3675
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bouwvergunning uitvaartcentrum wegens gebrek aan ontvankelijkheid bezwaar
Eiser maakte bezwaar tegen de bouwvergunning voor een uitvaartcentrum aan het plantsoen in zijn wijk, stellende dat hij als wijkbewoner belanghebbende was vanwege zijn betrokkenheid bij wijkactiviteiten. Verweerder verleende de vergunning en baseerde zich op een advies van de commissie voor bezwaarschriften, die twijfelde over het belanghebbende zijn van eiser maar dit toch aannam om materieel te kunnen toetsen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onjuist heeft gehandeld door het advies van de commissie zonder eigen gemotiveerd standpunt over te nemen. De rechtbank stelt dat verweerder de ontvankelijkheid van het bezwaar zelf had moeten beoordelen en motiveren in het besluit. Juridisch vereist het bestuursrecht dat belanghebbenden een eigen, persoonlijk en objectief bepaalbaar belang hebben dat rechtstreeks door het besluit wordt geraakt.
Gezien de ligging van het woonhuis van eiser en de aard van zijn belangen (wijkactiviteiten en algemene functie van het plantsoen) acht de rechtbank deze belangen niet specifiek en persoonlijk genoeg om als belanghebbende te kwalificeren. Ook is onvoldoende aannemelijk dat eiser nadelige effecten zoals verkeersdrukte ondervindt.
Daarom had verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk. Tevens wordt het door eiser betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het bezwaar van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit vernietigd.