ECLI:NL:RBROT:1999:AA3682
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar kapvergunning bomen
Opposant maakte bezwaar tegen een kapvergunning voor het kappen van tien bomen ten behoeve van de bouw van een rouwcentrum. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maassluis verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het beroep daarop eveneens niet-ontvankelijk omdat de vergunning al was uitgevoerd en de bomen waren gekapt, waardoor opposant geen belanghebbende meer zou zijn.
In de verzetprocedure bleek dat van de tien bomen slechts negen waren gekapt en dat de vergunning nog niet geheel was uitgevoerd. De rechtbank oordeelde dat dit een onjuiste feitelijke grondslag was voor de niet-ontvankelijkverklaring. Bovendien kan een belanghebbende ook na effectuering van een vergunning nog belang hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid, bijvoorbeeld omtrent voorwaarden aan de vergunning.
De rechtbank concludeerde dat het verzet gegrond is, waardoor de eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt.