ECLI:NL:RBROT:1999:AA5206
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Th.G.M. Simons
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing voorlopige voorziening medegebruik antenne-opstelpunten
Op 2 april 1999 stelde de verweerder op grond van de Telecommunicatiewet regels vast over het medegebruik van antenne-opstelpunten tussen vergunninghouders. Tegen dit besluit maakten eiseressen bezwaar en vroegen een voorlopige voorziening, die gedeeltelijk werd toegewezen op 3 juni 1999. Verzoekster vroeg vervolgens op 1 december 1999 om opheffing van deze voorlopige voorziening.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster op het moment van haar verzoek bevoegd was, hoewel zij nog geen partij in de hoofdzaak was. De rechtbank overwoog dat voor opheffing van een voorlopige voorziening in principe nieuwe feiten of omstandigheden nodig zijn die bij de eerdere uitspraak niet bekend waren en die tot een andere beslissing zouden leiden.
Verzoekster bracht nieuwe argumenten aan, waaronder de wetsgeschiedenis en recente beleidsontwikkelingen, maar deze werden niet als zodanig beoordeeld dat ze tot een andere uitkomst konden leiden. Ook werd geoordeeld dat het belang van eiseressen bij het voorkomen van onomkeerbare gevolgen zwaarder woog.
De rechtbank concludeerde dat de eerdere schorsing terecht was en dat het verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening moest worden afgewezen. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening wordt afgewezen.