ECLI:NL:RBROT:1999:AF0418

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 juni 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/259 EA
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • mar. Buchner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens ontbreken nieuwe feiten

Verzoekster diende een tweede verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, nadat een eerder verzoek op 31 maart 1999 was afgewezen. Het gerechtshof te Den Haag ontving geen stukken van een hoger beroep tegen deze afwijzing, waardoor deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Tijdens de zitting op 9 juni 1999 werden verzoekster en haar advocaat gehoord. De advocaat gaf aan dat er geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden waren die het nieuwe verzoek konden rechtvaardigen. Tevens was een verzoek tot faillietverklaring van verzoekster aanhangig, waarvan de behandeling was aangehouden.

De rechtbank oordeelde dat het nieuwe verzoek niet wezenlijk verschilde van het vorige en dat het indienen ervan slechts diende om de behandeling van het faillissementsverzoek aan te houden en een nieuwe mogelijkheid tot hoger beroep te creëren. Dit werd gezien als een misbruik van procesrecht en strijdig met de goede procesorde.

Daarom werd verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Rotterdam
Enkelvoudige kamer
X. te P.,
heeft op 31 mei 1999 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Verzoekster en haar advocaat, mr. R. Prins, zijn gehoord ter terechtzitting van 9 juni 1999.
Uit de stukken alsmede uit het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de door en namens verzoekster afgelegde verklaringen, is het volgende gebleken.
Mr Prins heeft namens verzoekster, via zijn procureur, hoger beroep ingesteld tegen de gemotiveerde afwijzende beslissing d.d. 31 maart 1999 van deze rechtbank van verzoekster's eerste verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het gerechtshof te Den Haag stelt dat de stukken betreffende dit hoger beroep nimmer ter griffie zijn binnengekomen.
Mr. Prins heeft namens verzoekster verder enige aanvullende verklaringen afgelegd betreffende het ontstaan van de schulden van verzoekster. Mr. Prins heeft echter tevens verklaard dat er einde 31 maart 1999 geen sprake is van nieuwe feiten en/of gewijzigde omstandigheden die van belang zijn voor verzoeksters nieuwe aanvraag tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Op dit moment is tevens een verzoekschrift strekkende tot faillietverklaring van verzoekster aanhangig bij deze rechtbank. De behandeling van dit rekest is aangehouden.
Gebleken is derhalve dat op het vorige verzoekschrift inhoudelijk is beslist. Gebleken is voorts dat bij het Gerechtshof te Den Haag niet bekend is dat verzoekster tegen voormelde afwijzing hoger beroep zou hebben ingesteld. Er moet derhalve van worden uitgegaan dat geen hoger beroep is ingesteld tegen de afwijzende beslissing d.d. 31 maart 1999 op het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, zodat deze beslissing inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan.
Nu zich sedert 31 maart 1999 geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan en het nieuwe verzoekschrift niet of nauwelijks afwijkt van het vorige, kan niet worden gesteld dat op dit verzoekschrift thans inhoudelijk anders zou kunnen of dienen te worden beslist dan op het vorige verzoekschrift.
Gelet op het vorenstaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verzoekster andermaal een verzoekschrift met bijlagen tot toepassing van de schuldsanering heeft ingediend, enkel teneinde te bereiken dat de behandeling het verzoekschrift strekkende tot faillietverklaring van verzoekster wordt aangehouden, alsmede om te bewerkstelligen dat tegen een vergelijkbare afwijzing opnieuw hoger beroep kan worden ingesteld bij het Gerechtshof te Den Haag.
Door op deze wijze het stelsel van rechtsmiddelen te doorkruisen, handelt verzoekster niet in overeenstemming met de uitgangspunten van de wet en evenmin in overeenstemming met de uitgangspunten van een goede procesorde.
Verzoekster dient derhalve in haar verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Gewezen door mar. Buchner, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.