ECLI:NL:RBROT:1999:AF0418
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- mar. Buchner
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens ontbreken nieuwe feiten
Verzoekster diende een tweede verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, nadat een eerder verzoek op 31 maart 1999 was afgewezen. Het gerechtshof te Den Haag ontving geen stukken van een hoger beroep tegen deze afwijzing, waardoor deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
Tijdens de zitting op 9 juni 1999 werden verzoekster en haar advocaat gehoord. De advocaat gaf aan dat er geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden waren die het nieuwe verzoek konden rechtvaardigen. Tevens was een verzoek tot faillietverklaring van verzoekster aanhangig, waarvan de behandeling was aangehouden.
De rechtbank oordeelde dat het nieuwe verzoek niet wezenlijk verschilde van het vorige en dat het indienen ervan slechts diende om de behandeling van het faillissementsverzoek aan te houden en een nieuwe mogelijkheid tot hoger beroep te creëren. Dit werd gezien als een misbruik van procesrecht en strijdig met de goede procesorde.
Daarom werd verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.