ECLI:NL:RBROT:1999:AF0442
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.B.H.M. van Thiel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing faillissement en toepassing schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend om zijn faillissement op te heffen en tegelijkertijd de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren. De fiscus had na controles in 1995 en 1996 twee naheffingsaanslagen opgelegd wegens omzetbelasting op nihilaangiftes, met een totaalbedrag van circa fl. 100.000,00. Verzoeker erkende de aanslagen, maar stelde dat deze het gevolg waren van fouten van zijn accountants.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker verantwoordelijk was voor het indienen van de nihilaangiftes die in strijd waren met de Wet op de Omzetbelasting, omdat niet tijdig was gefactureerd voor onderhanden werk. Verzoeker voerde aan niet op de hoogte te zijn geweest van de relevante wettelijke bepalingen.
De rechtbank oordeelde echter dat verzoeker niet als te goeder trouw kon worden beschouwd met betrekking tot het ontstaan en het onbetaald laten van de schuld aan de fiscus. Gezien het negatieve advies van de curator en de omvang van de preferente schulden, wees de rechtbank het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het faillissement en toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen wegens gebrek aan goede trouw.