ECLI:NL:RBROT:1999:AF0442

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 september 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/532
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.B.H.M. van Thiel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de Omzetbelasting
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing faillissement en toepassing schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw

Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend om zijn faillissement op te heffen en tegelijkertijd de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren. De fiscus had na controles in 1995 en 1996 twee naheffingsaanslagen opgelegd wegens omzetbelasting op nihilaangiftes, met een totaalbedrag van circa fl. 100.000,00. Verzoeker erkende de aanslagen, maar stelde dat deze het gevolg waren van fouten van zijn accountants.

De rechtbank stelde vast dat verzoeker verantwoordelijk was voor het indienen van de nihilaangiftes die in strijd waren met de Wet op de Omzetbelasting, omdat niet tijdig was gefactureerd voor onderhanden werk. Verzoeker voerde aan niet op de hoogte te zijn geweest van de relevante wettelijke bepalingen.

De rechtbank oordeelde echter dat verzoeker niet als te goeder trouw kon worden beschouwd met betrekking tot het ontstaan en het onbetaald laten van de schuld aan de fiscus. Gezien het negatieve advies van de curator en de omvang van de preferente schulden, wees de rechtbank het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het faillissement en toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen wegens gebrek aan goede trouw.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Rotterdam
Enkelvoudige kamer
X.,
wonende te Y.,
verzoeker,
heeft een verzoekschrift ingediend strekkende tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling.
Verzoeker en mr. B.K.A. van Rijsbergen, kantoorgenoot van de curator in het faillissement van verzoeker, zijn ter terechtzitting van 15 september 1999 gehoord.
Uit het faillissementsdossier van verzoeker, alsmede uit het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de verklaring van verzoeker is het volgende gebleken.
Het totale schuldenpakket van verzoeker bedraagt circa fl. 297.000,00 waarvan circa fl. 278.000,00 aan preferente schuldeisers. Namens de curator is een schriftelijk negatief advies uitgebracht. Mr. Van Rijsbergen heeft ter zitting verklaard dat de fiscus naar aanleiding van uitgevoerde controles in 1995 en 1996 een tweetal naheffingsaanslagen aan verzoeker heeft opgelegd van in totaal circa fl. 100.000,00. Dit betreft hier aanslagen omzetbelasting op nihilaangiftes.
Verzoeker heeft de juistheid van deze aanslagen erkend en hij heeft ter terechtzitting aangevoerd dat deze aanslagen het gevolg waren van de onjuist uitgevoerde werkzaamheden van zijn accountants.
Mr. Van Rijsbergen heeft gesteld dat verzoeker verantwoordelijk is voor de nihilaangiftes en voorts dat de nihilaangiftes in strijd met de Wet op de Omzetbelasting zijn gedaan, aangezien inzake onderhanden werk niet tijdig is gefactureerd door verzoeker.
Verzoeker heeft zich verweerd met de stelling dat hij niet op de hoogte was van de desbetreffende bepalingen in genoemde wet.
De rechtbank is van oordeel dat verzoeker niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schuld aan de fiscus van circa fl. 100.000,00.
Het verzoek dient daarom te worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Gewezen door mr A.B.H.M. van Thiel, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 september 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.