ECLI:NL:RBROT:2000:AA5348
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen sluiting en intrekking exploitatievergunning café/bar wegens vermeende illegale prostitutie
Op 16 juli 1999 werd aan verzoekers een exploitatievergunning verleend voor een café/bar in Rotterdam. De burgemeester van Rotterdam besloot op 16 december 1999 tot onmiddellijke sluiting en intrekking van deze vergunning, naar aanleiding van een verzoek van de korpschef vanwege vermoedens van illegale prostitutie en andere strafbare feiten.
Verzoekers maakten bezwaar en verzochten de rechtbank om een voorlopige voorziening die de besluiten zou schorsen. Tijdens de zitting op 13 januari 2000 betoogden zij dat er geen sprake was van overtredingen, dat de besluiten onzorgvuldig en ondeugdelijk waren gemotiveerd, en dat de besluiten in strijd waren met beginselen als gelijkheid, proportionaliteit en het verbod van willekeur.
De president van de rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat sprake was van strafbare feiten zoals bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (APV). Ook was onvoldoende bewijs voor een gevaar voor de openbare orde of het woon- en leefklimaat. Daarnaast waren de besluiten onvoldoende feitelijk onderbouwd en gebrekkig gemotiveerd.
Daarom werden de besluiten geschorst tot zes weken na de beslissing op het bezwaar. Tevens werd de gemeente veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De overige argumenten van verzoekers behoefden geen bespreking meer.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de besluiten tot sluiting en intrekking van de vergunning worden geschorst.