ECLI:NL:RBROT:2000:AA5395
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Th.G.M. Simons
- C.W.J. Schoor
- W.E. Doolaard
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van voorlopig oordeel NMa en niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen besluit ontheffing Mededingingswet
Eiseressen hebben een aanvraag om ontheffing ingevolge artikel 17 van Pro de Mededingingswet ingediend voor bindende regelingen binnen de schildersbranche. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) bracht een voorlopig oordeel uit waarin werd geconcludeerd dat de regelingen in strijd zijn met artikel 6 Mw Pro en dat ontheffing niet mogelijk is. Eiseressen maakten bezwaar tegen dit voorlopig oordeel, maar dit bezwaar werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard omdat het voorlopig oordeel geen besluit zou zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In het beroep stelde eiseressen dat het voorlopig oordeel wel degelijk als een besluit moet worden aangemerkt vanwege de ingrijpende feitelijke gevolgen en de rechtsbescherming die zij wensen. De rechtbank overwoog dat het voorlopig oordeel geen definitieve beslissing inhoudt over de aanvraag en dat het niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro kan worden beschouwd. De rechtbank benadrukte dat de zorgvuldige procedures voor ontheffing en boetes in de Mw niet worden doorkruist door het voorlopig oordeel.
De rechtbank concludeerde dat eiseressen geen procesbelang hebben bij het aanvechten van het voorlopig oordeel en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens wees de rechtbank de verzoeken tot proceskostenveroordeling af.
De uitspraak bevestigt dat voorlopige oordelen van de NMa niet als formele besluiten gelden en dat rechtsmiddelen pas openstaan tegen het definitieve besluit op de aanvraag om ontheffing.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het voorlopig oordeel van de NMa wordt ongegrond verklaard.