ECLI:NL:RBROT:2000:AA5913

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 mei 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
10/221285-99
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Silvis
  • Pit
  • Overbosch
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 175, eerste lid, aanhef en onder a Wegenverkeerswet 1994Art. 57 Wetboek van StrafrechtArt. 179, eerste en zesde lid Wegenverkeerswet 1994Art. 51a Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor roekeloos verkeersongeluk met dodelijke slachtoffers

De rechtbank Rotterdam heeft op 24 mei 2000 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte die een ernstig verkeersongeluk veroorzaakte. Verdachte reed onder invloed van alcohol met hoge snelheid in een tunnel in de bebouwde kom, verloor de macht over het stuur en botste frontaal op een tegemoetkomende auto. Twee inzittenden van die auto overleden, terwijl twee anderen zwaar gewond raakten.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft begaan zoals ten laste gelegd. Er waren geen omstandigheden die de strafbaarheid uitsloten. Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het gebeurde en de persoonlijke situatie van verdachte, werd een gevangenisstraf van vijf jaar opgelegd, evenals een ontzegging van de rijbevoegdheid voor vijf jaar, met aftrek van de periode dat het rijbewijs was ingevorderd.

Benadeelde partijen, bestaande uit nabestaanden en gewonden, hadden zich gevoegd voor immateriële schadevergoeding en kosten voor psychische hulp. De rechtbank verklaarde hen echter niet-ontvankelijk omdat zij niet als rechtstreeks getroffen partijen konden worden beschouwd volgens de wet. Hun vorderingen dienen bij de burgerlijke rechter te worden ingediend.

De rechtbank veroordeelde verdachte tevens in de kosten van de procedure tegen de vorderingen van de benadeelde partijen. De straf en bijkomende straf zijn passend geacht gezien de ernst van het verkeersdelict en de gevolgen ervan.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en vijf jaar ontzegging rijbevoegdheid wegens roekeloos rijden met dodelijke slachtoffers.

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/221285-99
Datum uitspraak: 24 mei 2000
Tegenspraak
VONNIS
van de ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM, meervoudige kamer voor
strafzaken, in de zaak tegen:
verdachte
geboren te [plaats,land] op [geboortedatum,geboortejaar],
wonende te [adres, woonplaats].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 10 mei 2000.
TENLASTELEGGING
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding onder bovenvermeld parketnummer. Van deze dagvaarding is een kopie in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd la, lb en Ic).
DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE
De officier van justitie mr. ing. Koppert heeft gerekwireerd - zakelijk
weergegeven - de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde en de
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.
BEWEZEN
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het
primair ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als vermeld in de hierna ingevoegde bijlage (bladzijden genummerd ld en le), die van dit vonnis deel uitmaakt.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte
moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
BEWIJS
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.
STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
Het bewezen feit levert op:
Overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een
ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, strafbaar gesteld bij artikel 175, eerste lid, aanhef en onder a van die wet, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.
STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE
Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de
verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.
MOTIVERING VAN DE STRAF EN BIJKOMENDE STRAF
De straf en bijkomende straf die aan de verdachte worden opgelegd, zijn
gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich, na consumptie van een grote hoeveelheid alcoholische
drank, met zijn auto in het verkeer begeven en aldus op hoogst roekeloze
wijze een ongeval veroorzaakt. Verdachte reed met een veel hogere snelheid
dan de ter plaatse toegestane snelheid in de bebouwde kom in een tunnel met een bocht. Verdachte is de macht over het stuur verloren en met de wielen van zijn voertuig van de grond loskomend gaande over een trottoirband tussen de weghelften op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen, waarbij hij nagenoeg frontaal tegen een hem tegemoetkomende auto is gebotst. Twee inzittenden van deze auto zijn aan de gevolgen van het ongeluk overleden, terwijl de twee andere inzittenden van dat voertuig zwaar gewond zijn geraakt. Bij de nabestaanden is door dit ongeval onzegbaar leed veroorzaakt.
Op een dergelijk ernstig verkeersdelict waarbij twee personen zijn overleden en twee personen zwaar gewond zijn geraakt kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Verdachte dient de consequenties van zijn handelen ook in het verkeer te
ondervinden. Na te melden onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid
motorrijtuigen te besturen is dan hier op zijn plaats.
Alles afwegende acht de rechtbank na te melden straf passend en geboden.
TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De op te leggen straf en bijkomende straf zijn behalve op het reeds
genoemde artikel gegrond op artikel 57 van Pro het Wetboek van strafrecht en
artikel 179, eerste en zesde lid van de Wegenverkeerswet 1994.
DE VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJEN
Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als benadeelde partij [naam], [adres,woonplaats], hierna te noemen benadeelde partij 1. Benadeelde partij 1 vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van f.20.000,=.
Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als benadeelde partij [naam], [adres, woonplaats], hierna te noemen benadeelde partij 2. Benadeelde partij 2 vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van f.20.000,=.
Op de wijze voorzien in artikel Slb, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als benadeelde partij [naam], [adres, woonplaats], hierna te noemen benadeelde partij 3. Benadeelde partij 3 vordert vergoeding van kosten voor psychische hulp.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in de vorderingen.
Namens de verdachte is gesteld dat de vorderingen van de benadeelde
partijen niet toewijsbaar zijn in deze procedure en dat de vorderingen niet van eenvoudige aard zijn.
Met betrekking tot de voornoemde vorderingen wordt het volgende overwogen.
Voegingsgerechtigd als benadeelde partij in het strafproces zijn volgens
artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering:
- degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit;
- diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering;
- vorderingen bedoeld in artikel 108 eerste Pro en tweede lid van boek 6
van het Burgerlijk Wetboek terzake van de daar bedoelde vorderingen.
Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van rechtsopvolgers, noch dat van derde belanghebbenden. In het geval van de hier overtreden strafbepaling is dat niet anders.De nabestaanden van de slachtoffers van het hier bewezenverklaarde strafbare feit kunnen zich derhalve niet voegen in de onderhavige procedure als degene die rechtstreeks schade heeft geleden door dit strafbare feit.
De vorderingen tot vergoeding van immateriële schade van degenen die zich
als benadeelde partij hebben gesteld zijn evenmin vorderingen van erfgenamen onder algemene titel verkregen danwel vorderingen als bedoeld in artikel 108 eerste Pro en tweede lid van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Gelet op het voorgaande zijn benadeelde partijen 1,2 en 3 niet voegingsgerechtigd als benadeelde partij in dit strafproces en dienen zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen. Zij kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Nu benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, worden zij veroordeeld in de kosten door de verdachte gemaakt.
BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit,
zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste
is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde
strafbare feit;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte terzake van het bewezen verklaarde feit tot een
gevangenisstraf voor de tijd van 5 (vijf) jaren;
- ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de
tijd van 5 (vijf) jaren;
- bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen
te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding
van het rijbewijs op grond van artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994;
- verklaart benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen;
- veroordeelt benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter
verdediging tegen de vorderingen gemaakt, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. Silvis, voorzitter,
en mrs. Pit en Overbosch, rechters,
in tegenwoordigheid van De Sain, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 mei 2000.