ECLI:NL:RBROT:2000:AA6403
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Th.G.M. Simons
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herplaatsingskandidaat ambtenaar wegens onjuiste toepassing ARAR
Eiser werd bij besluit van 24 februari 1999 aangewezen als herplaatsingskandidaat in verband met een reorganisatie bij het openbaar ministerie. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt en later beroep ingesteld bij de rechtbank. De president van de rechtbank oordeelde dat het besluit onrechtmatig was omdat eiser ten onrechte als herplaatsingskandidaat was aangemerkt vóór het formele moment waarop dit volgens het Sociaal Plan SBK-OM 2 mogelijk was.
De rechtbank stelde vast dat de formele functie van eiser pas met ingang van 1 januari 2000 formeel opgeheven kon worden en dat de herplaatsingstermijn pas vanaf dat moment kon ingaan. De toepassing van artikel 49q van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) door verweerder was niet juist, omdat dit artikel niet automatisch betekent dat de ambtenaar ook herplaatsingskandidaat is.
Verder oordeelde de rechtbank dat de schending van het vormvoorschrift van artikel 10:10 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet tot benadeling van eiser had geleid. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. De rechtbank wees ook het verzoek om vergoeding van kosten van rechtsbijstand af, omdat geen bijzondere omstandigheden waren die dit rechtvaardigden.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De uitspraak verving het vernietigde besluit, waardoor het bezwaar van eiser gegrond werd verklaard en het besluit van 24 februari 1999 werd ingetrokken.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot aanwijzing als herplaatsingskandidaat wordt vernietigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.