ECLI:NL:RBROT:2000:AA7311
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen weigering terugkomen op rechtens vaststaand besluit over raadsvergoeding
Eiser heeft vanaf april 1994 vergoedingen ontvangen voor zijn werkzaamheden als deelgemeenteraadslid, gebaseerd op de Verordening geldelijke voorzieningen deelgemeenteraden en wijkraden 1991. Eiser vorderde een hogere vergoeding vanaf die datum, gebaseerd op het latere Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de Verordening 1997, die hogere bedragen voorschrijven. Verweerder wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit moet worden gezien als een weigering om terug te komen op een rechtens vaststaand besluit. Jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) vereist dat nieuwe feiten of omstandigheden worden aangetoond om terugkomen te rechtvaardigen, hetgeen eiser niet heeft gedaan. Hoewel de besluiten over de vergoedingen evident onjuist zijn, geldt volgens de hoogste bestuursrechter (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) dat alleen veranderde omstandigheden aanleiding geven tot heroverweging.
De rechtbank volgt de lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak en verklaart het beroep ongegrond. Wel wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten. Het geschil draait om de uitleg van overgangsrecht en de toepasselijkheid van het Rechtspositiebesluit, waarbij de rechtbank het standpunt van verweerder volgt dat het overgangsrecht van artikel 290 Gemeentewet Pro van toepassing is.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering om terug te komen op het rechtens vaststaande besluit over raadsvergoedingen wordt ongegrond verklaard.