ECLI:NL:RBROT:2000:AB2585
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens benadelingshandeling door niet-vorderen loon tijdens opzegtermijn
Eiseres was sinds 1986 in dienst bij een lid van het Europees Parlement en kreeg per 1 november 1999 ontslag na het niet-herverkiezing van haar werkgever. Zij vroeg een WW-uitkering aan die door het Landelijk instituut sociale verzekeringen werd geweigerd voor de periode tot 1 februari 2000 vanwege het niet naleven van de opzegtermijn en het niet vorderen van loon van haar werkgever.
De rechtbank stelt vast dat de werkgever toestemming had voor ontslag en dat de wettelijke opzegtermijn tot 1 februari 2000 liep. Omdat eiseres geen loon vorderde over deze periode, handelt zij in strijd met haar verplichting uit artikel 24 lid 6 WW Pro om het Algemeen Werkloosheidsfonds niet te benadelen.
Eiseres voerde aan dat het Europees Parlement de materiële werkgever is en dat zij dat orgaan zou moeten aanspreken, maar de rechtbank oordeelt dat de formele werkgever volgens de arbeidsovereenkomst haar werkgever is en dat zij loon van deze werkgever kan vorderen.
Daarom is het besluit van verweerder om de WW-uitkering en voorschotten tot 1 februari 2000 te weigeren terecht. De beroepen tegen deze besluiten worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen tegen de weigering van de WW-uitkering en voorschotten tot 1 februari 2000 worden ongegrond verklaard.