ECLI:NL:RBROT:2000:AF0503

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 oktober 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
143016/FT-EA 00.453
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.I. Buchner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 onder e Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsanering wegens verzwijging onroerend goed in Turkije

Verzoeker heeft een krediet van circa 52.000 gulden aangevraagd en verkregen om een huis op te knappen. Tijdens de procedure verklaarde verzoeker dat het huis in Turkije ligt en onbelast is, maar dit onroerend goed werd niet vermeld in de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder Pro e van de Faillissementswet. Ondanks herhaalde verzoeken weigerde verzoeker nadere gegevens te verstrekken over het huis, zoals de locatie en het adres.

De rechtbank stelde vast dat verzoeker het bestaan van het huis aanvankelijk heeft verzwegen met de bedoeling het buiten de beoordeling van het verzoek tot schuldsanering en buiten de boedel te houden. Verzoeker verliet de zitting onmiddellijk nadat hem was medegedeeld dat het huis mogelijk verkocht zou worden ten behoeve van schuldeisers.

Gezien deze feiten bestaat er gegronde vrees dat verzoeker tijdens de schuldsaneringsregeling zijn schuldeisers zal benadelen en zijn verplichtingen niet zal nakomen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsanering af.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens verzwijging van onroerend goed.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Rotterdam
Enkelvoudige kamer
X.,
wonende te P.
verzoeker,
heeft op 22 augustus 2000 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsanering.
Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 30 augustus 2000. De behandeling van het verzoek is voortgezet ter terechtzitting van 11 oktober 2000. Verzoeker is, hoewel hij behoorlijk is opgeroepen, toen niet verschenen.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting, waaronder de verklaring van verzoeker zelf, is het volgende gebleken.
Verzoeker heeft, naar hij ter zitting heeft verklaard, een krediet aangevraagd en verkregen bij Albank ad circa f. 52.000,00. Verzoeker heeft dit krediet aangewend om een huis op te knappen. Na indringende vragen van de rechtbank heeft verzoeker verklaard dat het huis is gelegen in Turkije, dat het huis van bezoeker is en onbelast is.
Voornoemd huis en het eigendomsrecht daarop van verzoeker zijn niet vermeld in de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder Pro e van de faillissementswet. Verzoeker heeft ondanks herhaaldelijke verzoeken van de rechtbank ter zitting geweigerd om nadere gegevens te verstrekken omtrent onder meer de plaats van vestiging, het adres etc. van eerdergenoemd huis.
Nadat aan verzoeker was medegedeeld dat het huis mogelijk ten behoeve van de schuldeisers verkocht zou worden in geval de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling zou worden uitgesproken, heeft verzoeker de zittingzaal onmiddellijk verlaten.
De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van het verzoek aangehouden tot de zitting van 11 oktober 2000 en verzoeker per brief van de griffier d.d. 30 augustus 2000 tegen laatstgenoemde zittingsdatum opgeroepen teneinde verzoeker in gelegenheid te stellen alsnog nadere gegevens omtrent voornoemd huis in Turkije aan de rechtbank te verstrekken. Verzoeker heeft de rechtbank niet de gevraagde gegevens verstrekt en is evenmin ter zitting van 11 oktober 2000 verschenen.
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat in weerwil van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden in de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder Pro e van de Faillissementswet geen melding wordt gemaakt van voornoemd huis, een aanwijzing vormt dat verzoeker het bestaan van voornoemd huis aanvankelijk heeft verzwegen met de bedoeling dit huis buiten de beoordeling van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, alsmede buiten de boedel te houden.
Het bovenstaande tezamen met het gegeven dat verzoeker heeft geweigerd gegevens betreffende het huis in Turkije te verstrekken, toont aan dat verzoeker niet van zins is meergenoemd huis, in verband waarmee een aanzienlijk deel van de schuld last hier te lande is ontstaan, te (laten) vervreemden en de opbrengst daarvan aan de schuldeisers ten goede te doen komen.
Derhalve is afdoende komen vast te staan dat er gegronde vrees bestaat dat verzoeker tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen en zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.
Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af;
Gewezen door mr. J.I. Buchner, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.