ECLI:NL:RBROT:2001:AB1486
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.L. de Gruijl-van Benthem
- Rechtspraak.nl
Vervangende toestemming voor anticonceptie bij verstandelijk gehandicapt minderjarig meisje
De minderjarige, een veertienjarig meisje met een lichte verstandelijke handicap en een disharmonisch IQ-profiel, werd geplaatst in een orthopedagogisch centrum vanwege zorgwekkend gedrag en vermoedens van seksueel misbruik. De moeder weigerde toestemming te geven voor het gebruik van de anticonceptiepil, terwijl het centrum dit als voorwaarde stelde voor voortzetting van de plaatsing.
De gezinsvoogdij-instelling verzocht de kinderrechter om vervangende toestemming voor het verstrekken van de pil. De moeder voerde aan dat de minderjarige niet seksueel actief was en dat het gebruik van de pil tegen de hindoeïstische geloofsovertuiging van de familie was. Uit verklaringen en observaties bleek echter dat de minderjarige seksueel wervend gedrag vertoonde en een groot risico liep op daadwerkelijke seksuele activiteit.
De kinderrechter oordeelde dat de minderjarige niet in staat was tot een redelijke waardering van haar belangen vanwege haar verstandelijke handicap en disharmonische IQ. Het risico van zwangerschap werd gezien als een ernstig gevaar voor haar geestelijke gezondheid, mede door de dreiging van een abortus door de moeder. De belangen van de minderjarige wogen zwaarder dan de geloofsovertuiging van de familie, waardoor vervangende toestemming werd verleend.
Uitkomst: De kinderrechter verleent vervangende toestemming voor het verstrekken van de anticonceptiepil aan de verstandelijk gehandicapte minderjarige.